Examenreglement beroepsopleiding advocaten oktober 2015

AfdrukkenOpslaan als PDF

Besluit van de algemene raad van 28 september 2015 houdende regels over de inrichting en de organisatie van het examen, de wijze en tijdstippen waarop daaraan kan worden deelgenomen, de wijze waarop het examen wordt afgenomen en de instelling, samenstelling en taken van de examencommissie en de delegatie betreffende het examen aan de examencommissie (Examenreglement beroepsopleiding advocaten oktober 2015)

 

De algemene raad van de Nederlandse orde van advocaten;

 

Gelet op artikel 3.14, tweede lid, van de Verordening op de advocatuur,

 

Stelt het volgende examenreglement vast: 

Paragraaf 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsbepalingen

In dit reglement wordt verstaan onder:

beoordelaar: een door de examencommissie aangewezen beoordelaar die gemaakte toetsen beoordeelt; 

beoordeling: de vaststelling door een beoordelaar / examinator in welke mate de stagiaire heeft voldaan aan de eisen die voor een bepaald vak zijn geformuleerd;

cursuscyclus: aaneengeschakelde periode van twee en een half opleidingsjaren, die start in maart of september van enig kalenderjaar;

cursusprogramma: het programma van de opleiding;

docent: alle docenten, trainers en advocaat-trainers die voor of namens de uitvoeringsorganisatie of een geaccrediteerde aanbieder het onderwijs verzorgen;

examen: afsluitend deel van de opleiding, bedoeld in artikel 9c Advocatenwet. Dit examen omvat meerdere toetsen en daarnaast vakken waarvoor geen toets wordt afgenomen;

examinator: een door de examencommissie aangewezen persoon die toetsen afneemt; 

fraude: een handelen of nalaten van de stagiaire of derden met als gevolg dat het voor de examencommissie onmogelijk is of is geworden zich een juist oordeel te vormen over de kennis, het inzicht en de vaardigheid die door de stagiaire verworven is;

opleidingsjaar: het tijdvak dat aanvangt ofwel op 1 maart en eindigt op 28 dan wel 29 februari van het daaropvolgende kalenderjaar, ofwel op 1 september en eindigt op 31 augustus van het daaropvolgende kalenderjaar;

opleidingsreglement: het reglement, bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, van de Verordening op de advocatuur;

surveillant: diegene die namens de uitvoeringsorganisatie aanwezig is tijdens de afname van toetsen en erop toeziet dat deze afname conform de hieromtrent in dit reglement opgenomen regels gebeurt;

toets: een onderzoek naar kennis, inzicht en/of vaardigheden als bedoeld in artikel 3.19, eerste lid, van de Verordening op de advocatuur, waarvan de uitkomst in een voldoende of een onvoldoende wordt uitgedrukt en die de afsluiting vormt van een vak;

toetsmatrijs: een per vak opgestelde tabel waarin de examencommissie vaststelt hoe de opgaven in een toets dienen te zijn verdeeld over de verschillende onderdelen van de leerstof, conform de eind- en toetstermen die in de vakbeschrijving van het desbetreffende vak zijn geformuleerd. In de toetsmatrijs is tevens op basis van de gehanteerde taxonomie aangegeven welke de hoeveelheid open en gesloten vragen is per onderdeel;

uitvoeringsorganisatie: uitvoeringsorganisatie beroepsopleiding advocaten CPO/Dialogue, die op grond van artikel 3.23 van de Verordening op de advocatuur de uitvoering van de opleiding heeft opgedragen gekregen door de algemene raad van de Nederlandse orde van advocaten.

Artikel 2 Reikwijdte van het reglement

  1. Dit reglement is van toepassing op de toetsen van de opleiding.
  2. Dit reglement is van toepassing op eenieder die deelneemt aan een toets van de opleiding of anderszins hierbij betrokken is.
  3. Dit reglement is niet van toepassing op zaken die de organisatie van het onderwijs van de opleiding betreffen. Hiervoor wordt verwezen naar het Opleidingsreglement beroepsopleiding advocaten oktober 2015;
  4. Overal waar in dit reglement sprake is van ‘hij’, ‘zijn’ of ‘hem’, kan ook ‘zij’ respectievelijk ‘haar‘ worden gelezen. 

Paragraaf 2 Examencommissie

Artikel 3 Samenstelling examencommissie

  1. Er is een examencommissie voor de opleiding. De examencommissie is een onafhankelijk orgaan en bestaat uit achttien door de algemene raad te benoemen leden. De algemene raad delegeert bevoegdheden betreffende het examen aan de examencommissie.
  2. In de examencommissie worden benoemd:
    1. namens de Nederlandse orde van advocaten: twaalf leden;
    2. op voordracht van de SBA: drie leden;
    3. op voordracht van de uitvoeringsorganisatie: twee leden;
    4. op voordracht van de Stichting Jonge Balie: één lid.
  3. Bij de samenstelling van de examencommissie wordt rekening gehouden met juridisch-inhoudelijke deskundigheid op de rechtsgebieden burgerlijk recht, strafrecht en bestuursrecht. Daarnaast is ten minste één van de leden onderwijskundige.
  4. Geen van de leden is betrokken bij de ontwikkeling of samenstelling van de toetsen en het onderwijs.
  5. De algemene raad wijst één van de leden aan als voorzitter. Bij staking van stemmen over besluiten geeft diens stem de doorslag.
  6. De examencommissie neemt rechtsgeldige besluiten indien meer dan de helft van het aantal leden, waaronder de voorzitter, aanwezig zijn.
  7. De leden van de examencommissie worden benoemd voor ten hoogste vier jaar. Zij treden af volgens een door de examencommissie vast te stellen rooster van aftreden. Zij kunnen eenmaal voor eenzelfde periode worden herbenoemd.
  8. Er kunnen plaatsvervangende leden worden benoemd. Voordracht en benoeming geschieden op dezelfde wijze als de benoeming en voordracht van de gewone leden.
  9. Het secretariaat van de examencommissie wordt gevoerd door de uitvoeringsorganisatie. 

Artikel 4 Taken en bevoegdheden van de examencommissie

  1. De examencommissie stelt de inhoud van het examen en de toetsen vast, beoordeelt de antwoorden van de toetsen en stelt het resultaat daarvan vast.
  2. De examencommissie stelt vast:
    1. de weging van resultaten van de verschillende toetsen;
    2. een (normerings)methode die aangeeft in welke gevallen de toetsen met gunstig gevolg zijn afgelegd, respectievelijk in welke gevallen één of meer toetsen opnieuw moet(en) worden afgelegd;
    3. de toetsmatrijs per vak;
    4. de landelijke toetsdata en de plaatsen waar de toetsen worden afgenomen.
  3. De examencommissie bewaakt de gang van zaken bij het afnemen van de toetsen.
  4. Indien op een ander moment dan tijdens het afleggen van de toets het vermoeden rijst dat sprake is van fraude in de zin van artikel 28 of bij de stagiaire met betrekking tot enig onderdeel van de toetsen anderszins onregelmatigheden worden geconstateerd, wordt de zaak aan de examencommissie voorgelegd.
  5. De examencommissie beoordeelt of de stagiaire toegelaten wordt tot de toetsen en, indien dat niet zo is, maakt haar beslissing aan de stagiaire schriftelijk bekend.
  6. Indien een stagiaire heeft gehandeld in strijd met het bij of krachtens dit examenreglement gestelde kan de examencommissie, nadat de stagiaire in de gelegenheid is gesteld om te worden gehoord, een onvoldoende toekennen aan één of meer onderdelen van het examen.
  7. De examencommissie draagt zorg voor vermelding van de toetsdata in de cursusprogramma's en de tijdige bekendmaking daarvan op de website van de opleiding.
  8. De examencommissie informeert en adviseert de algemene raad over alle overige aangelegenheden het examen en de toetsen betreffende. 

Artikel 5 Inrichting en werkwijze examencommissie

  1. De examencommissie stelt voor de behandeling van elke toets een vakkamer in. Tot lid van een vakkamer kunnen worden benoemd leden en plaatsvervangende leden van de examencommissie.
  2. Een vakkamer bestaat uit ten minste drie leden. 

Paragraaf 3 Toetsontwikkelteams

Artikel 6

Vervallen per 1 oktober 2015

Artikel 7

Vervallen per 1 oktober 2015

 

Artikel 8 Toetsontwikkelteams

  1. De uitvoeringsorganisatie benoemt per vak een toetsontwikkelteam.
  2. De toetsontwikkelteams bestaan uit ten minste drie leden, onder wie twee juridisch-inhoudelijk deskundigen en één onderwijs- en toetsdeskundige.

Artikel 9 Taken en bevoegdheden toetsontwikkelteams

  1. Het toetsontwikkelteam van een vak:
    1. maakt een concept-toetsmatrijs voor het desbetreffende onderdeel;
    2. vervaardigt de toetsvragen en de daarbij behorende antwoordmodellen en beoordelingscriteria, binnen de context van de toetsmatrijs;
    3. vervaardigt een proefexamen voor het desbetreffende onderdeel.
  2. Toetsontwikkelteams zijn niet bevoegd tot het nemen van enige formele beslissing.

Paragraaf 4 Examen en certificaat

Artikel 10 Het examen van de opleiding

  1. Het examen van de opleiding bestaat uit een aantal toetsen die zijn vastgesteld in een toetsplan en daarnaast uit vakken waarvoor geen toets wordt afgenomen.
  2. Het examen als bedoeld in het eerste lid is behaald indien alle toetsen van de opleiding, met uitzondering van de toetsen waarvoor vrijstelling is verkregen, met gunstig gevolg zijn afgelegd en aan alle overige opleidingsverplichtingen is voldaan.
  3. De examenopgaven zijn afgestemd op:
    1. de voor het desbetreffende vak geformuleerde toetstermen, die zijn vastgesteld door de algemene raad en vervat in de vakbeschrijvingen per onderdeel uit het curriculum;
    2. de eisen van een goede praktijkuitoefening.
  4. De uitvoeringsorganisatie draagt zorg voor de publicatie van de toetstermen.
  5. De examencommissie verricht, naast de vaststelling als bedoeld in artikel 4, eerste lid, geen eigen onderzoek naar de kennis en de vaardigheden van de stagiaire.

Artikel 11 Certificaat

  1. Aan de stagiaire die het examen met gunstig gevolg heeft afgelegd, reikt de examencommissie op grond van artikel 3.21, tweede lid, van de Verordening op de advocatuur het certificaat beroepsopleiding uit. Dit certificaat is het bewijs, bedoeld in artikel 8c, tweede lid, onder b, van de Advocatenwet.
  2. Voor de datum waarop het certificaat is behaald, wordt de datum aangehouden waarop de examencommissie heeft vastgesteld dat de stagiaire het examen met gunstig gevolg heeft behaald.
  3. De examencommissie voegt aan het certificaat een supplement toe. Het supplement heeft tot doel inzicht te verschaffen in de aard en inhoud van de afgeronde opleiding, mede met het oog op internationale herkenbaarheid van de opleiding. Het in het Engels opgestelde supplement bevat in elk geval:
    1. de naam van de opleiding en de uitvoeringsorganisatie die de opleiding verzorgt;
    2. een mededeling dat het een beroepsopleiding betreft;
    3. een beschrijving van de inhoud van de opleiding; en
    4. de studielast van de opleiding.

Artikel 12 Ondertekening certificaat

  1. Het certificaat wordt ondertekend:
    1. door de voorzitter van de examencommissie of diens plaatsvervanger;
    2. door de stagiaire.
  2. Het supplement, bedoeld in artikel 11, derde lid, wordt ondertekend door de voorzitter van de examencommissie of diens plaatsvervanger.

Artikel 13 Data van de uitslag en uitreiking certificaten

  1. De examencommissie stelt de uitslag van het examen vast nadat een stagiaire voor alle toetsen een voldoende beoordeling heeft gekregen en aan de overige verplichtingen van de beroepsopleiding advocaten heeft voldaan.
  2. De uitvoeringsorganisatie stelt het certificaat en het supplement, bedoeld in artikel 11, derde lid, beschikbaar voor de stagiaire zo snel mogelijk maar uiterlijk binnen twee weken na het vaststellen van de uitslag.

Artikel 14 Verklaringen

  1. De examencommissie reikt, ten bewijze dat een toets met gunstig gevolg is afgelegd, een daarop betrekking hebbend digitaal bewijsstuk uit.
  2. Degene die meer dan één toets met gunstig gevolg heeft afgelegd en aan wie geen certificaat als bedoeld in artikel 11, eerste lid, kan worden uitgereikt, ontvangt desgevraagd een door de examencommissie af te geven verklaring waarin in elk geval de toetsen zijn vermeld die door betrokkene met gunstig gevolg zijn afgelegd.

Paragraaf 5 Toetsen en beoordelen

Artikel 15 Vorm van toetsen

  1. De onderdelen van de opleiding worden getoetst op de wijze zoals aangegeven in het toetsplan, dat voor elke cursuscyclus gepubliceerd zal zijn in de voor die cyclus geldende digitale leeromgeving. Het toetsplan wordt opgesteld door de examencommissie.
  2. Een stagiaire met een functiebeperking kan bij de examencommissie een verzoek indienen om gelegenheid te krijgen de toetsen op een zo veel mogelijk aan zijn individuele beperking aangepaste wijze af te leggen (verlenging van de standaardduur van de toetsing en/of gebruik van hulpmiddelen en/of aanpassing van de toetsvorm). De examencommissie kan, met schriftelijke toestemming van de stagiaire, advies inwinnen bij derden alvorens op dit verzoek te beslissen.

Artikel 16 Tijdvakken, frequentie en volgorde van toetsen

1. De examencommissie biedt voor alle onderdelen van het examen ten minste drie toetsgelegenheden gedurende de termijn, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid, van de Verordening op de advocatuur. Bij het bepalen van de datum van een toetsgelegenheid in een opleidingsjaar, wordt rekening gehouden met de vereiste studeerbaarheid voor een stagiaire.

 

2. Voor de volgorde van de toetsen is artikel 3.19, vierde en vijfde lid, van de Verordening op de advocatuur bepalend.

3. Indien een vak niet meer wordt aangeboden, geldt onverminderd het bepaalde in het eerste lid.

4. De tijdvakken waarin de toetsgelegenheden worden aangeboden, worden jaarlijks door de examencommissie vastgesteld en uiterlijk bij aanvang van het opleidingsjaar bekend gemaakt. De toetsdatum wordt zo spoedig mogelijk na aanvang na het opleidingsjaar, doch uiterlijk vier maanden voor de toetsdatum, bekend gemaakt.

5. Toetsen waarvoor een voldoende is gehaald, mogen niet worden herkanst. 

Artikel 17 Aan de toetsen gestelde eisen

  1. De examencommissie maakt voor elke toets afzonderlijk en tijdig bekend welke eisen worden gesteld aan het afleggen van die toets, zodat de stagiaire zich zo goed mogelijk kan voorbereiden. De examencommissie vermeldt daarbij ook welke hulpmiddelen zijn toegestaan.
  2. Wanneer een stagiaire een toets niet heeft gehaald in het opleidingsjaar waarin hij het onderwijs in dat vak heeft gevolgd, gelden voor de toets die hij aflegt in het volgende opleidingsjaar de eisen van het dan lopende opleidingsjaar.

Artikel 18 Voorwaarden voor deelname aan toetsen

  1. De stagiaire schrijft zich voor alle toetsen tijdig in, op een nader door de examencommissie aan te geven wijze.
  2. De uitvoeringsorganisatie registreert of de stagiaire voldoet aan artikel 3.19, derde lid, van de Verordening op de advocatuur. Wanneer de absentie in dagdelen of het aantal onvoldoendes voor het beoordeelde (huis)werk hoger is dan op grond van bijlage 1van het Opleidingsreglement is toegestaan, bericht de examencommissie de stagiaire schriftelijk dat hij niet heeft voldaan aan de voorwaarden om te worden toegelaten tot de toets en dat hij derhalve van deelname aan de toets wordt uitgesloten.
  3. Bij uitsluiting van de toets wordt het resultaat voor deze toets, ingevolge artikel 3.19, derde lid, van de Verordening op de advocatuur, beschouwd als niet behaald, waardoor de stagiaire een toetskans verliest.
  4. In geval de stagiaire, in afwijking van artikel 3.19, derde lid, van de Verordening op de advocatuur, van deelname aan de toets is uitgesloten, is hij verplicht dat onderdeel in te halen en zich op de daarvoor in het Opleidingsreglement beroepsopleiding advocaten voorgeschreven wijze voor te bereiden. Daarna kan hij tot een toets in dat onderdeel worden toegelaten. De kosten voor het inhalen van het onderwijs komen voor rekening van de stagiaire. Deelname aan de toets, anders dan binnen de door de stagiaire gevolgde cursuscyclus, is slechts mogelijk indien de stagiaire met betrekking tot het desbetreffende onderdeel aan zijn verplichtingen tot het volgen van het onderwijs, neergelegd in artikel 3.17, eerste lid, van de Verordening op de advocatuur, naar behoren heeft voldaan, ofindien hij daarvan ingevolge artikel 3.18, eerste lid, van de Verordening op de advocatuur door de algemene raad is vrijgesteld.
  5. De stagiaire is, in het derde lid omschreven geval, per af te leggen toets een door de uitvoeringsorganisatie vastgesteld bedrag verschuldigd.
  6. De deelnemer aan een herkansing is het door de uitvoeringsorganisatie, met inachtneming van het door de algemene raad gegeven kader, vastgestelde herkansingsgeld verschuldigd. 

Artikel 19 Praktische gang van zaken bij toetsen

  1. De toets wordt digitaal afgenomen, met uitzondering van het in artikel 20, eerste lid, jo. artikel 15, eerste lid, van dit reglement bepaalde.
  2. De toets wordt afgenomen op een door de examencommissie aangewezen centrale of decentrale toetslocatie.
  3. De examencommissie stelt de tijdsduur van de toets vast.
  4. Bij het afnemen van toetsen moet aan de eisen gesteld in de volgende leden worden voldaan.
  5. De stagiaire legitimeert zich door middel van een advocatenpas, geldig paspoort of een geldig door de Nederlandse overheid afgegeven identiteitsbewijs.
  6. De stagiaire volgt de aanwijzingen van de examinator of surveillant op.
  7. Het is de stagiaire tijdens het afleggen van een toets slechts toegestaan originele gedrukte wetteksten te raadplegen alsmede bronnen die voor de desbetreffende toets door de examencommissie zijn aangewezen als te raadplegen tijdens de toets. In de toegelaten bronnen mogen slechts onderstrepingen, markeringen en verwijzingen naar wetsartikelen zijn aangebracht.
  8. De examencommissie kan afwijken van het bepaalde in het zevende lid van dit artikel.
  9. Het gebruik van andere bronnen dan het ter plekke uitgereikte materiaal en het in het zevende lid genoemde bronnen, is uitsluitend toegestaan als dit uitdrukkelijk en schriftelijk is aangegeven.
  10. Persoonlijke informatie- en communicatiemiddelen dienen vóór de aanvang te worden uitgezet en te worden weggeborgen. Het gebruik hiervan is tijdens de duur van de toets niet toegestaan. Behoudens toestemming op de wijze zoals beschreven in het negende lid van dit artikel, wordt gebruik van persoonlijke informatie- en communicatiemiddelen aangemerkt als fraude.
  11. Het is niet toegestaan zonder toestemming van de examinator of surveillant te communiceren met andere personen in of buiten de ruimte waar de toets wordt afgenomen.
  12. De examinator en de surveillant zijn bevoegd passende maatregelen te nemen indien de orde en rust worden verstoord.
  13. De examinator kan degene die, al dan niet als gevolg van overmacht, meer dan 10 minuten na het door de uitvoeringsorganisatie gecommuniceerde aanvangstijdstip van de toets arriveert, de toegang tot de toetslocatie weigeren.
  14. Het is niet toegestaan om gedurende de eerste 30 minuten de gemaakte toets in te leveren of de ruimte waar de toets wordt afgenomen te verlaten. Het is evenmin toegestaan om gedurende de laatste 15 minuten van de aangegeven toetstijd de gemaakte toets in te leveren of de toetslocatie wordt afgenomen te verlaten.

Artikel 20 Mondelinge toetsen

  1. Het toetsplan, bedoeld in artikel 15, eerste lid, kan bepalen dat voor een bepaald onderdeel een mondelinge toets wordt afgenomen.
  2. Bij een mondeling afgenomen toets wordt niet meer dan één stagiaire tegelijk beoordeeld, tenzij de examencommissie anders heeft bepaald. De beoordeling van een mondeling afgenomen toets geschiedt in aanwezigheid van ten minste twee examinatoren. Wordt de mondelinge toets afgenomen door één examinator, dan dient gebruik gemaakt te worden van opnameapparatuur.
  3. Het is de examinator, bedoeld in het tweede lid, niet toegestaan een kantoorgenoot of een stagiaire over wie hij het patronaat uitoefent te examineren. Zo nodig wijst de examencommissie een vervangende examinator aan.
  4. Van de beoordeling van een mondeling afgenomen toets wordt een verslag gemaakt dat door de aanwezige examinatoren wordt ondertekend. 

Artikel 21 Vaststelling van de beoordelingen

  1. De beoordeling van een toets geschiedt voor elke stagiaire afzonderlijk.
  2. De examencommissie stelt de beoordeling vast met inachtneming van de termijn genoemd in artikel 23, derde lid.
  3. De examinator stelt de beoordeling van een mondelinge toets vast binnen vijf werkdagen na het afnemen van die toets en verstrekt de stagiaire een schriftelijke verklaring met de uitslag.
  4. Beoordeling van een toets aan de hand van de beoordelingscriteria, bedoeld in artikel 9, eerste lid, geschiedt door een team van beoordelaars. Deze worden door de examencommissie aangewezen.
  5. Indien de beoordelaar het antwoord op de vraag als onvoldoende beoordeelt, vraagt de beoordelaar een tweede beoordelaar uit het team om zijn oordeel. De gezamenlijke beoordeling wordt aan de examencommissie overhandigd.
  6. Het is de beoordelaar niet toegestaan het werk van een kantoorgenoot of van een stagiaire over wie hij het patronaat uitoefent te beoordelen. Zo nodig wijst de examencommissie een vervangende beoordelaar aan.

Artikel 22 Normering van de beoordelingen

Bij elke toets geschiedt de beoordeling op basis van een voldoende of een onvoldoende. 

 

Artikel 23 Vastlegging en bekendmaking van de beoordelingen

  1. De beoordelingen die een stagiaire heeft behaald, worden opgenomen in een geautomatiseerd systeem. Dit systeem bevindt zich in het besloten deel van de digitale leeromgeving en is slechts voor de stagiaire en de uitvoeringsorganisatie toegankelijk.
  2. De stagiaire kan ervoor kiezen het geautomatiseerde systeem, bedoeld in het eerste lid, open te stellen voor zijn patroon.
  3. De beoordeling die de stagiaire voor een toets heeft behaald, is zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen 10 weken na de toetsdatum, beschikbaar, waarbij rekening wordt gehouden met de herkansingsmogelijkheid van de stagiaire. Bij bijzondere omstandigheden kan hiervan worden afgeweken.
  4. De stagiaire ontvangt van de behaalde beoordelingen een digitaal bewijsstuk.

Artikel 24

Vervallen per 1 januari 2015 

Artikel 25 Geldigheidsduur van studieresultaten

  1. Toetsen betrekking hebbende op onderdelen van de opleiding, die met gunstig gevolg zijn afgelegd, hebben een geldigheid van vijf jaar.
  2. Ten behoeve van het verkrijgen van het getuigschrift dienen toetsen die hun geldigheid hebben verloren, opnieuw te worden afgelegd.
  3. De examencommissie kan – in bijzondere omstandigheden– de geldigheidsduur van de toetsen te verlengen.

Artikel 26 Inzage van toetsen

  1. Na het bekendmaken van de uitslag van een toets krijgt de stagiaire in de digitale leeromgeving inzage in de toets en de door de stagiaire gegeven antwoorden. Deze inzage staat open voor ten minste de duur van de bezwaartermijn.
  2. Gedurende de termijn genoemd in het eerste lid kan iedere stagiaire die aan de desbetreffende toets heeft deelgenomen, kennisnemen van de vragen en opdrachten van de betreffende toets, alsmede van de normen aan de hand waarvan de beoordeling heeft plaatsgevonden en de daarbij behorende standaardnormering.

Artikel 27 Bewaring van afgelegde toetsen

De uitvoeringsorganisatie ziet erop toe dat het gemaakte werk en de beoordelingsnormen worden bewaard gedurende een periode van 10 jaar na de datum van dagtekening van het bewijsstuk met de behaalde beoordelingen, bedoeld in artikel 23. 

Artikel 28 Fraude

  1. In geval van fraude, kan de examencommissie de stagiaire gedurende een door de examencommissie te bepalen termijn van ten hoogste een jaar hem het recht ontnemen één of meer door de examencommissie aan te wijzen toetsen af te leggen. Bij ernstige fraude kan de algemene raad op voorstel van de examencommissie de inschrijving voor de opleiding van de betrokken stagiaire definitief beëindigen.
  2. Staat de fraude als bedoeld in het eerste lid van dit artikel onherroepelijk vast, dan wordt in het digitale dossier van de stagiaire vastgelegd dat de stagiaire heeft deelgenomen aan de toets maar wegens fraude geen beoordeling heeft ontvangen.
  3. De surveillant handelt, bij signalering van fraude tijdens het afleggen van de toets, als volgt:
    1. de surveillant deelt de stagiaire mee dat hij een rapport van het geconstateerde zal opmaken dat aan de examencommissie wordt gezonden;
    2. de surveillant wijst de stagiaire erop dat het afleggen van de toets kan worden voortgezet, maar dat geen beoordeling van de toets zal plaatsvinden tot de examencommissie heeft beslist welke consequentie(s) zij aan het geconstateerde zal verbinden;
    3. de surveillant voorziet de toetsuitwerking van de vermelding “eigen risico”.
  4. De voorzitter van de examencommissie zendt de stagiaire een afschrift van het rapport, waartegen hij zich schriftelijk kan verweren. Desgewenst kan de stagiaire zijn verweer mondeling toelichten aan de examencommissie. 

Paragraaf 6 Rechtsbescherming

Artikel 29 Bezwaarclausule

De examencommissie vermeldt onder haar beschikkingen de mogelijkheid om bezwaar aan te tekenen.

Paragraaf 7 Slotbepalingen

Artikel 30 Bijzondere en onvoorziene gevallen

  1. De examencommissie kan, bij bijzondere omstandigheden, afwijken van dit reglement, indien de belangen van de stagiaires daardoor redelijkerwijs niet worden geschaad. Afwijkingen worden gerapporteerd aan de algemene raad.
  2. In gevallen waarin dit reglement niet voorziet, beslist de examencommissie.

Artikel 31 Bekendmaking van het reglement en wijzigingen

  1. De examencommissie draagt zorg voor een passende en tijdige bekendmaking van dit reglement.
  2. Wijzigingen in het reglement worden door de algemene raad bij afzonderlijk besluit vastgesteld. De examencommissie draagt zorg voor de bekendmaking van de wijzigingen aan alle betrokkenen.

Artikel 32 Intrekking

Het Examenreglement beroepsopleiding advocaten 2015, zoals door de algemene raad op 1 december 2014 vastgesteld, wordt ingetrokken. 

Artikel 33 Inwerkingtreding

Dit reglement treedt in werking met ingang van 1 oktober 2015.  

Artikel 34 Citeertitel

Dit reglement wordt aangehaald als: Examenreglement beroepsopleiding advocaten oktober 2015.

Bijlagen