Verzamelverordening 2019

AfdrukkenOpslaan als PDF

Verzamelverordening 2019

Besluit van het college van afgevaardigden van 10 december 2019, houdende wijziging van de Verordening op de advocatuur in verband met de periodieke actualisatie van regelgeving, invoering van regels over het in bewaring geven van de advocatenpas en over de controle van gegevens op het tableau (Verzamelverordening 2019)

Het college van afgevaardigden van de Nederlandse orde van advocaten,

gelet op artikelen 4, vijfde lid, 9c, tweede lid, en 28, eerste en tweede lid, van de Advocatenwet;

gezien het advies van de adviescommissie regelgeving;

stelt de navolgende verordening vast:

ARTIKEL I

De Verordening op de advocatuur wordt gewijzigd als volgt:

A

In artikel 1.1 wordt ‘certificaat beroepsopleiding: het bewijs, bedoeld in artikel 8c, derde lid, onderdeel b, van de Advocatenwet dat met gunstig gevolg het in artikel 9c van de Advocatenwet bedoelde examen is afgelegd;’ vervangen door ‘certificaat beroepsopleiding: het bewijs, bedoeld in artikel 8c, eerste lid, onderdeel c, onder 2°, van de Advocatenwet, dat met gunstig gevolg het in artikel 9c, eerste lid, van de Advocatenwet bedoelde examen is afgelegd;’.

B

Het opschrift van hoofdstuk 2 komt te luiden:

Hoofdstuk 2. Organisatie van de Nederlandse orde van advocaten

C

Artikel 2.21 komt te luiden:

Artikel 2.21 Taakomschrijving overige adviescommissies

Een adviescommissie heeft tot taak de algemene raad gevraagd of ongevraagd te adviseren over voorstellen voor wet- en regelgeving of beleidsvraagstukken die van belang zijn voor de advocatuur en de rechtzoekende in het algemeen.

D

Artikel 2.31, eerste lid, komt te luiden:

  • 1.De algemene raad kent vacatiegeld en een reiskostenvergoeding toe aan:

    • a.de leden van een raad van discipline en het hof van discipline die tevens advocaat zijn;

    • b.de leden en plaatsvervangende leden van het college van afgevaardigden en de leden van het college van afgevaardigden die zijn benoemd in de financiële commissie, bedoeld in artikel 32, derde lid, van de Advocatenwet;

    • c.de leden van de raad van advies en de commissie civiele cassatie;

    • d.de leden van de redactie van het Advocatenblad die tevens advocaat zijn;

    • e.de leden van de Stichting beroepsopleiding advocaten.

E

Artikel 2.36h, tweede lid, komt te luiden:

  • 2.De aanvraag wordt in ieder geval vergezeld van:

    • a.een inhoudelijk verslag, waaruit blijkt dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend zijn verricht;

    • b.een overzicht van de activiteiten en de hieraan verbonden uitgaven en inkomsten in een financieel verslag of jaarrekening; en

    • c.een balans op het einde van het afgelopen subsidietijdvak met een toelichting daarop.

F

Artikel 3.2 komt te luiden:

Artikel 3.2. Voltooide stage

De stagiaire krijgt de verklaring, bedoeld in artikel 9b, vijfde lid, van de Advocatenwet, op het moment waarop de termijn, bedoeld in artikel 9b, eerste onderscheidenlijk tweede lid, van de Advocatenwet, is verstreken en:

  • a.de stagiaire beschikt over het certificaat beroepsopleiding;

  • b.de stagiaire voldoet aan het bepaalde in artikel 3.9 en artikel 3.10, eerste lid; en

  • c.de raad van de orde, gehoord de patroon en de stagiaire, oordeelt dat de stagiaire over voldoende praktijkervaring beschikt, bedoeld in artikel 9b, tweede lid, van de Advocatenwet.

G

Artikel 3.4, derde lid, komt te luiden:

  • 3.De opzegging, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, kan zonder voorafgaande goedkeuring door de raad van de orde plaatsvinden indien het certificaat beroepsopleiding niet meer kan worden overgelegd binnen het tijdvak, bedoeld in artikel 8c, eerste lid, aanhef en onderdeel c, en tweede lid, van de Advocatenwet.

H

Artikel 3.22, eerste lid, komt te luiden:

  • 1.De algemene raad kan een persoon die is geschrapt op grond van artikel 8c, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de Advocatenwet, desgevraagd, binnen twee jaar na de schrapping, nog ten hoogste tweemaal toelaten tot een toets in de nog niet behaalde examenonderdelen, tenzij daardoor het aantal toetskansen, bedoeld in artikel 3.19, zesde lid, wordt overschreden.

I

Artikel 3.23 komt te luiden:

Artikel 3.23 Uitvoeringsorganisatie beroepsopleiding advocaten

De Nederlandse orde van advocaten sluit een overeenkomst met een uitvoeringsorganisatie over de uitvoering van de beroepsopleiding advocaten, met inbegrip van de bevoegdheid om examens af te nemen en met inachtneming van het in de Advocatenwet en bij of krachtens deze verordening bepaalde.

J

Artikel 4.2, eerste lid, komt te luiden:

  • 1.Deze paragraaf is van toepassing op de advocaat die al dan niet onderbroken drie jaar of langer op het tableau is ingeschreven. In afwijking van de eerste volzin is artikel 4.4, tweede lid, van toepassing op de advocaat die onvoorwaardelijk op het tableau is ingeschreven.

K

Artikel 4.2, tweede lid, komt te luiden:

  • 2.In afwijking van het eerste lid is deze paragraaf van toepassing op een advocaat die is ingeschreven op basis van een ten aanzien van het beroep van advocaat afgegeven erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties of op grond van artikel 16h van de Advocatenwet is ingeschreven.

L

Artikel 4.4, vierde lid, komt te luiden:

  • 4.Een advocaat die ten minste tien opleidingspunten heeft behaald die betrekking hebben op juridische activiteiten op een voor zijn praktijk relevant rechtsgebied kan een tekort aan opleidingspunten als bedoeld in het eerste en tweede lid, tot een maximum van tien punten compenseren met een overschot aan punten dat hij in het voorafgaande kalenderjaar heeft behaald. Een tekort aan opleidingspunten als bedoeld in het tweede lid kan uitsluitend worden gecompenseerd met opleidingspunten op hetzelfde rechtsgebied.

M

Artikel 4.5 komt te luiden:

Artikel 4.5 Inhaalverplichting

  • 1.Indien een advocaat niet voldoet aan artikel 4.4, eerste, derde en vierde lid, haalt hij uiterlijk binnen twaalf maanden na afloop van het desbetreffende kalenderjaar het tekort aan opleidingspunten in.

  • 2.De op grond van het eerste lid ingehaalde opleidingspunten gelden niet als opleidingspunten als bedoeld in artikel 4.4, eerste lid, of als overschot als bedoeld in het artikel 4.4, vierde lid.

  • 3.Dit artikel laat onverlet dat de deken een dekenbezwaar kan indienen op grond van artikel 46f van de Advocatenwet.

N

Artikel 4.6, eerste lid, komt te luiden:

  • 1.Een advocaat die meer dan een jaar niet ingeschreven heeft gestaan, behaalt in de twaalf maanden na zijn beëdiging twintig opleidingspunten met juridische activiteiten op een voor zijn praktijk relevant rechtsgebied, onverminderd het bepaalde in artikel 4.4, eerste, tweede en derde lid.

O

Artikel 4.7 komt te luiden:

Artikel 4.7 Langdurige ziekte

  • 1.Indien een advocaat de praktijk meer dan zes maanden niet heeft uitgeoefend in verband met ziekte kan hij een beroep doen op toepassing van het tweede tot en met vierde lid.

  • 2.Artikel 4.4, eerste en tweede lid, is niet van toepassing zo lang de advocaat de praktijk niet uitoefent. Artikel 4.5 is niet van toepassing op een tekort aan opleidingspunten ontstaan voordat het onderhavige derde en vijfde lid van toepassing werden.

  • 3.Op het moment dat de advocaat de praktijkuitoefening geheel of gedeeltelijk hervat:

    • a.wordt het aantal opleidingspunten, bedoeld in artikel 4.4, eerste lid, dat hij dient te behalen in het kalenderjaar dat hij de praktijkuitoefening hervat, naar rato verminderd overeenkomstig artikel 4.4, derde lid; en

    • b.behaalt de advocaat binnen twaalf maanden op een voor zijn praktijk relevant rechtsgebied;

      • vijf opleidingspunten indien de advocaat minder dan twaalf maanden de praktijk niet heeft uitgeoefend;

      • tien opleidingspunten indien de advocaat twaalf maanden of meer maar minder dan vierentwintig maanden de praktijk niet heeft uitgeoefend;

      • twintig opleidingspunten indien de advocaat meer dan vierentwintig maanden de praktijk niet heeft uitgeoefend.

  • 4.Indien een advocaat in het kalenderjaar waarin hij de praktijkuitoefening geheel of gedeeltelijk hervat minder dan zes maanden de praktijk uitoefent, is artikel 4.4, tweede lid, niet van toepassing in dat kalenderjaar.

  • 5.Een advocaat kan binnen vier weken nadat hij de praktijk geheel of gedeeltelijk heeft hervat de raad van de orde verzoeken om gehele of gedeeltelijke vrijstelling van het derde lid, onderdeel b, waarbij hij aantoont dat hij voldoende actuele kennis heeft van de voor zijn praktijk relevante rechtsgebieden. De raad van de orde kan aan de vrijstelling voorwaarden verbinden.

P

Artikel 6.13, eerste lid, komt te luiden:

  • 1.Een advocaat beschikt over een geldige advocatenpas, uitgegeven door een leverancier die door de algemene raad is geselecteerd op grond van artikel 6.16.

Q

Artikel 6.14 komt te luiden:

Artikel 6.14 Gemachtigden

  • 1.Een advocaat kan een authenticatiemiddel aanvragen voor door hem gemachtigde personen ten behoeve van de toegang tot de beveiligde internetomgeving van de Nederlandse orde van advocaten en de orden van advocaten in de arrondissementen.

  • 2.Een advocaat kan uitsluitend personen machtigen die onder zijn verantwoordelijkheid werkzaam zijn of advocaat zijn.

  • 3.Een advocaat draagt er zorg voor dat de gemachtigde het authenticatiemiddel gebruikt conform zijn opdracht en met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze afdeling.

R

Artikel 6.17 komt te luiden:

Artikel 6.17. Informatie door secretaris van de algemene raad

De secretaris van de algemene raad informeert de leverancier van de advocatenpas en het authenticatiemiddel onverwijld over schrapping of doorhaling van het tableau of schorsing in de uitoefening van de praktijk van een advocaat opdat het authenticatiemiddel wordt geblokkeerd.

S

Na artikel 6.17 (nieuw) wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 6.17a In bewaring geven advocatenpas

Een advocaat aan wie de maatregel tot schorsing in de uitoefening van de praktijk is opgelegd, geeft op de datum waarop de maatregel ten uitvoer wordt gelegd de advocatenpas in bewaring bij de deken.

T

Aan artikel 6.28 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 4.Het eerste tot en met derde lid is niet van toepassing op een advocaat die de praktijk uitoefent in dienst van een werkgever als bedoeld in artikel 5.9, aanhef en onderdeel e, f of g, en uitsluitend voor de werkgever optreedt.

U

Artikel 6.29, eerste lid, komt te luiden:

  • 1.Een advocaat, de praktijkrechtspersoon of het samenwerkingsverband komt een forumkeuze met de cliënt overeen voor geschillen over de totstandkoming en de uitvoering van de overeenkomst van opdracht, de kwaliteit van de dienstverlening en de hoogte van de declaratie. De eerste volzin is niet van toepassing op een advocaat die de praktijk uitoefent in dienst van een werkgever als bedoeld in artikel 5.9, aanhef en onderdeel e, f of g, en uitsluitend voor de werkgever optreedt.

V

Artikel 6.31 komt te luiden:

Artikel 6.31 Reikwijdte

  • 1.Deze afdeling is van toepassing op de advocaat die onvoorwaardelijk op het tableau is ingeschreven.

  • 2.In afwijking van het eerste lid is deze afdeling van toepassing op een advocaat die is ingeschreven op basis van een ten aanzien van het beroep van advocaat afgegeven erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties of op grond van artikel 16h van de Advocatenwet.

W

Artikel 6.32 komt te luiden:

Artikel 6.32 Registratie rechtsgebiedenregister

  • 1.Een advocaat registreert zich op het tableau op ten minste één en ten hoogste vier rechtsgebieden waarop hij tien opleidingspunten als bedoeld in artikel 4.4, tweede lid, heeft behaald, aan de hand van een lijst van rechtsgebieden, bedoeld in het vijfde lid.

  • 2.Een advocaat die in het voorafgaande kalenderjaar op een desbetreffend geregistreerd rechtsgebied tien opleidingspunten als bedoeld in artikel 4.4, tweede lid, heeft behaald, maakt openbaar en publiekelijk toegankelijk bekend dat hij staat geregistreerd op een wijze overeenkomstig een model, bedoeld in het vierde lid.

  • 3.Een advocaat actualiseert zijn registratie op het tableau en zijn openbare bekendmaking als bedoeld in het tweede lid onverwijld bij wijzigingen.

  • 4.De algemene raad stelt modellen vast voor het openbaar en publiekelijk toegankelijk bekend maken van de registratie.

  • 5.De algemene raad stelt een lijst van rechtsgebieden vast, waarop in ieder geval staat ‘algemene praktijk’.

  • 6.De algemene raad stelt nadere regels over de wijze waarop de registratie op het tableau plaatsvindt en het openbaar en publiekelijk toegankelijk maken van de registratie.

  • 7.Met ingang van het moment waarop deze afdeling op een advocaat van toepassing is, kan hij zich registreren als bedoeld in het eerste lid op basis van opleidingspunten als bedoeld in artikel 4.4, tweede lid, die voorafgaand aan dat moment zijn behaald, maar nadat hij in het bezit is gesteld van het certificaat beroepsopleiding advocaten.

X

Na artikel 6.32 wordt een afdeling ingevoegd, luidende:

Afdeling 6.10 Tableau

Artikel 6.32a Controle gegevens tableau
  • 1.Een advocaat controleert elk kalenderjaar uiterlijk op 1 februari of de op hem betrekking hebbende gegevens, bedoeld in artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdelen a tot en met g, van de Advocatenwet, juist, actueel en volledig zijn.

  • 2.Indien de gegevens, bedoeld in het eerste lid, niet of niet langer juist, actueel of volledig zijn, stelt een advocaat de secretaris van de algemene raad hiervan onverwijld in kennis.

Y

Artikel 8.3, eerste lid, komt te luiden:

  • 1.Onverminderd het bepaalde in artikel 9b, zesde lid, van de Advocatenwet kan een belanghebbende administratief beroep instellen bij de algemene raad tegen de volgende beschikkingen van de raad van de orde of de daaraan verbonden voorwaarden:

    • a.de verlenging van de stage, bedoeld in artikel 9b, tweede lid, van de Advocatenwet, eerste respectievelijk tweede volzin;

    • b.de verlening van een vrijstelling ingevolge artikel 9b, derde lid, van de Advocatenwet;

    • c.de aanwijzing van een patroon, bedoeld in artikel 9b, vierde lid, van de Advocatenwet;

    • d.de weigering tot afgifte van een verklaring, bedoeld in artikel 3.2, tweede lid;

    • e.de goedkeuring door de raad van de orde van de opzegging van de stage door de patroon, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onderdeel c;

    • f.de goedkeuring van een patroon, bedoeld in artikel 3.5, eerste en tweede lid;

    • g.de weigering van de goedkeuring van een patronaat, bedoeld in artikel 3.6, eerste en derde lid.

Z

Artikel 9.1, vierde lid, komt te luiden:

  • 4.Een andere dan de in het eerste lid bedoelde stagiaire kan de algemene raad verzoeken om toegelaten te worden tot de beroepsopleiding, op grond van de Stageverordening 2005, indien hij

    • a.niet voldoet aan het vereiste van zonder onderbreking ingeschreven staan, bedoeld in het eerste lid,

    • b.reeds beëdigd is geweest,

    • c.op grond van de Stageverordening 2005 met de beroepsopleiding was begonnen; en

    • d.geen certificaat als bedoeld in artikel 8c, eerste lid, onderdeel c, onder 2°, van de Advocatenwet heeft behaald.

AA

Het opschrift ‘Afdeling 9.2 Vakbekwaamheid’ en artikel 9.3 vervallen, onder vernummering van:

  • 1.afdeling 9.3 tot afdeling 9.2; en

  • 2.artikel 9.4 tot artikel 9.3.

ARTIKEL II

Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2020, met uitzondering van artikel I, onderdelen A, F, G, H, J, V, Y en Z, die in werking treden op een door de algemene raad te bepalen tijdstip.

ARTIKEL III

Deze verordening wordt aangehaald als: Verzamelverordening 2019.

Deze verordening zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

TOELICHTING

Algemeen

De Verordening op de advocatuur (hierna: Voda) dient op enkele onderdelen geactualiseerd te worden. Tevens wordt aanleiding gezien in de Voda regels te stellen over het in bewaring geven van de advocatenpas gedurende de schorsing in de uitoefening van de praktijk en over het controleren van gegevens op het tableau. Ten slotte noopt het voorstel van wet tot wijziging van de Advocatenwet, de Gerechtsdeurwaarderswet, de Wet op het notarisambt en de Wet positie en toezicht advocatuur in verband met het opnemen van een grondslag voor de verwerking van bijzondere persoonsgegevens ten behoeve van de uitvoering van kwaliteitstoetsen bij advocaten, gerechtsdeurwaarders en notarissen en diverse aanpassingen van overwegend wetstechnische aard (Kamerstukken 35 262; hierna te noemen: wijziging Advocatenwet kwaliteitstoetsen) tot enkele wetstechnische wijzigingen. De wijzigingen van de Voda die voortvloeien uit dit wetsvoorstel, treden in werking op een door de algemene raad te bepalen tijdstip. Dit tijdstip zal gelijk zijn aan het door de algemene raad te bepalen tijdstip voor de inwerkingtreding van de Wijzigingsverordening kwaliteitstoetsen.

De wijzigingen van de Voda zijn in het artikelsgewijze deel toegelicht.

Uitgebrachte adviezen

De raad van advies en de adviescommissie regelgeving (hierna: adviescommissie) is gevraagd advies uit te brengen over het conceptvoorstel.

De raad van advies heeft aangegeven af te zien van het uitbrengen van een schriftelijk advies.

De adviescommissie geeft als algemene opmerking aan dat in het concept niet altijd consequent (een gedeelte van) een artikel is opgenomen. Daar waar in meerdere leden aanpassingen worden doorgevoerd, wordt het gehele artikel opgenomen in het conceptvoorstel. Als een wijziging ziet op een enkel lid wordt slechts het desbetreffende lid van het artikel opgenomen. Deze systematiek is evenwel niet toegepast bij artikel I, onderdeel D, van het conceptvoorstel (de wijziging van artikel 2.36h, tweede lid, onderdeel c). Dit valt des te meer op nu dit onderdeel direct volgt op artikel I, onderdeel C (wijziging artikel 2.31, eerste lid, aanhef en onderdeel c). De adviescommissie adviseert dan ook artikel I, onderdeel D, als volgt te redigeren: ‘Artikel 2.36h, tweede lid, aanhef en onderdeel c, komt te luiden: ...’

De algemene raad is bij het opstellen van het voorliggende voorstel uitgegaan van de ‘100 Ideeën voor de gemeentelijke regelgever’, derde herziene editie 2018 (hierna: Igr). In de Igr (aanbeveling 84) wordt aanbevolen dat als een wijziging moet worden aangebracht in een artikellid of in een artikel, dat lid of dat artikel in zijn geheel opnieuw wordt vastgesteld. Worden twee of meer leden van een artikel gewijzigd, dan wordt bij voorkeur het hele artikel opnieuw vastgesteld. Dienovereenkomstig is de wijziging van artikel 2.31, eerste lid, (huidige artikel I, onderdeel D, van het voorstel) aangepast.

De adviescommissie stelt bij nadere lezing van artikel 4.4, vierde lid, van de Voda vast dat precisering wenselijk is ten aanzien van compensatie van een tekort aan opleidingspunten met een overschot aan opleidingspunten. Dit zou naar het inzicht van de adviescommissie in elk geval moeten gelden voor de rechtsgebieden waarvoor een advocaat zich ingevolge artikel 6.32 van de Voda heeft laten registreren. Met andere woorden compensatie is alleen mogelijk voor opleidingspunten die hetzelfde rechtsgebied betreffen.

De algemene raad onderschrijft dat voor de toepassing van artikel 4.4, tweede lid, van de Voda uitsluitend compensatie mogelijk dient te zijn voor opleidingspunten die hetzelfde rechtsgebied betreffen. Artikel 4.4, vierde lid, van de Voda wordt op dit punt verduidelijkt (zie artikel I, onderdeel K, van het voorstel).

De adviescommissie constateert dat in de wijziging van artikel 4.5, eerste lid, van de Voda artikel 4.4, tweede lid, van de Voda niet is opgenomen. Met andere woorden er bestaat geen mogelijkheid dan wel verplichting om voor een ‘geregistreerd rechtsgebied’ opleidingspunten in te halen, terwijl ingevolge artikel 4.4, vierde lid, van de Voda compensatie wel mogelijk is in geval van een tekort aan opleidingspunten. De adviescommissie vraagt zich af of artikel 4.4, tweede lid, van de Voda bewust niet is opgenomen in artikel 4.5, eerste lid, van de Voda. Indien dat het geval is, lijkt het wenselijk hierop in de toelichting nader in te gaan.

De algemene raad ziet geen aanleiding de inhaalverplichting voor te schrijven voor de verplichte opleidingspunten op een rechtsgebied. De toelichting bij de wijziging van artikel 4.5 van de Voda (artikel I, onderdeel M) is op dit punt aangevuld.

De adviescommissie wijst erop dat ingevolge artikel 6.32, eerste lid, van de Voda een advocaat zich registreert op het tableau op ten minste één en ten hoogste vier rechtsgebieden (...) aan de hand van een lijst van rechtsgebieden, bedoeld in het vijfde lid. Inmiddels is bekend dat een ‘geregistreerd rechtsgebied’ uiteen kan vallen in verschillende sub-rechtsgebieden. De adviescommissie begrijpt de regelgeving (artikelen 4.4, tweede lid, en 6.32, tweede lid, van de Voda en artikel 35, tweede lid, en bijlage 9 van de Regeling op de advocatuur) zo dat per hoofd-rechtsgebied tien opleidingspunten behaald moeten worden om de registratie te kunnen handhaven. Dat betekent dat voor elk van de sub-rechtsgebieden, waarop een advocaat zich blijkbaar bovengemiddeld bekwaam acht, minder dan tien opleidingspunten behaald behoeven te worden, mits het totaal binnen het hoofd-rechtsgebied maar tien is. Zoals hiervoor aangegeven, lijkt de inhaalverplichting van artikel 4.5 van de Voda niet van toepassing te zijn op de geregistreerde rechtsgebieden, maar wel de compensatieregeling. De adviescommissie vraagt zich af of de algemene raad heeft stilgestaan bij de consequenties van een gedetailleerde rechtsgebieden registratie waarbij voor de sub-rechtsgebieden niet wordt voldaan aan het tien puntenvereiste, terwijl de rechtzoekende de idee krijgt dat een advocaat ook op het sub-rechtsgebied als deskundige kan worden aangemerkt.

In reactie hierop geeft de algemene raad aan dat dit punt is onderkend. De verplichting om opleidingspunten voor rechtsgebieden te behalen en de verplichting tot registratie op een rechtsgebied zien op de krachtens artikel 6.32, vijfde lid, vastgestelde lijst van rechtsgebieden; bijlage 9 van de Regeling op de advocatuur. Bij het opstellen van de lijst van rechtsgebieden is per rechtsgebied gekeken of een nadere onderverdeling op specifieke rechtsterreinen nodig is, die advocaten kunnen aanvinken, zodat de rechtzoekende uitkomt bij de advocaat die specifieke kennis heeft op bepaalde onderdelen. De onderverdeling wordt gemaakt als advocaten die het rechtsgebied hebben aangevinkt niet vanzelfsprekend kennis hebben op de sub-rechtsgebieden. Voornoemde verplichtingen gelden alleen voor de hoofd-rechtsgebieden. Voor de sub-rechtsgebieden is geen minimum aan opleidingspunten voorgeschreven. Dit laat onverlet dat een advocaat bij de uitoefening van zijn beroep op grond van artikel 4.1, eerste lid, van de Voda vakbekwaam is, waaronder wordt begrepen dat hij de professionele kennis en kunde bezit die nodig is voor het uitoefenen van de praktijk.

Tekstuele aanpassing na de vergadering van het college van afgevaardigden van 19 september 2019

In de aanhef van het voorstel is in de opsomming van artikelen waarop het voorstel berust, artikel 4, vijfde lid, van de Advocatenwet ingevoegd. De voorgestelde wijziging van artikel 3.22 van de Voda berust immers op dit artikellid.

In artikel 3.22, eerste lid, is ‘een stagiaire’ vervangen door ‘een persoon’ om tot uitdrukking te brengen dat het een persoon betreft die niet langer als advocaat staat ingeschreven op het tableau.

Het voorgestelde artikel 6.14, eerste lid, is zodanig aangepast dat het niet verder reikt dan waarover het college van afgevaardigden bindende regels kan vaststellen. Toegang met een advocatenpas tot penitentiaire inrichtingen en gerechtelijke organisaties valt hier buiten.

Ten slotte is onderdeel AA van artikel I tekstueel aanpast. Dit artikel beoogt zowel het opschrift van afdeling 9.2 als artikel 9.3 te laten vervallen, onder vernummering van afdeling 9.2 tot afdeling 9.2 en artikel 9.4 tot artikel 9.3.

Artikelsgewijs

Artikel I, onderdeel A (artikel 1.1)

Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 1.1 Definities

In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

– advocaat: de in Nederland ingeschreven advocaat;

– advocaat bij de Hoge Raad: de advocaat, bedoeld in artikel 9j, eerste lid, van de Advocatenwet;

– advocatenpas: het door de Nederlandse orde van advocaten verstrekte middel dat dient ter identificatie van de advocaat als zodanig;

– authenticatiemiddel: een elektronisch middel dat een set van eigenschappen bevat waarmee de identiteit van een natuurlijk persoon kan worden vastgesteld;

– beoefenaar van een toegelaten vrij beroep: een beroepsbeoefenaar als bedoeld in artikel 5.4, eerste lid, onderdelen b en c;

– beroepsopleiding advocaten: de opleiding, bedoeld in artikel 9c, van de Advocatenwet;

– buitenstagiaire: de stagiaire aan wie op grond van artikel 9b, derde lid, van de Advocatenwet vrijstelling is verleend van de verplichting bij een patroon kantoor te houden;

– CCBE: Council of Bars and Law Societies of Europe;

– certificaat beroepsopleiding: het bewijs, bedoeld in artikel 8c, derde lid, onderdeel b, van de Advocatenwet dat met gunstig gevolg het in artikel 9c van de Advocatenwet bedoelde examen is afgelegd;

– deken: de deken van de orde in het arrondissement, bedoeld in artikel 22, tweede lid, van de Advocatenwet;

– derdengelden: gelden die een relatie hebben met de dienst die door de advocaat wordt verleend en die niet zijn bestemd voor de advocaat in het kader van zijn optreden in die hoedanigheid, maar voor de cliënt of een derde, uitgezonderd verschotten en griffierechten;

– financiële resultaat: het totaal van de ontvangen hoofdsom, rente, kostenvergoedingen, inclusief vergoeding op grond van artikel 6:96 van het Burgerlijk Wetboek en (proces)kostenveroordelingen;

– geaccrediteerde opleidingsinstelling: een opleidingsinstelling die de in artikel 3.25 bedoelde accreditatie heeft verkregen;

– geheimhouder: een advocaat of een persoon met een van de advocaat afgeleide geheimhoudingsplicht en afgeleid verschoningsrecht;

– geheimhoudernummer: een telefoon- of faxnummer dat doorgaans gebruikt wordt door geheimhouders voor vertrouwelijke communicatie;

– houdster-rechtspersoon: een rechtspersoon die als feitelijke en statutaire activiteit heeft direct of indirect aandelen te houden in een praktijkrechtspersoon, lid te zijn van een coöperatie of op daarmee vergelijkbare wijze deel te nemen in een praktijkrechtspersoon;

– klacht: iedere schriftelijke uiting van ongenoegen van of namens de cliënt jegens de advocaat of de onder diens verantwoordelijkheid werkzame personen over de totstandkoming en de uitvoering van een overeenkomst van opdracht, de kwaliteit van de dienstverlening of de hoogte van de declaratie, niet zijnde een klacht als bedoeld in paragraaf 4 van de Advocatenwet;

– patroon: de advocaat onder wiens begeleiding de stagiaire de praktijk uitoefent;

– praktijk uitoefenen in dienst: een advocaat die op grond van een arbeidsovereenkomst of aanstelling een werkgever heeft;

– praktijkrechtspersoon: iedere op de uitoefening van de rechtspraktijk gerichte rechtspersoon die voldoet aan de in artikel 5.7 gestelde eisen, niet zijnde een houdster-rechtspersoon;

– raad van de orde: de raad van de orde in het arrondissement, bedoeld in artikel 22, eerste lid, van de Advocatenwet;

– samenwerkingsverband: een samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 5.3;

– specifieke kosten: kosten verbonden aan de behandeling van een zaak, waaronder in ieder geval

Artikel 1.1 Definities

In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

– advocaat: de in Nederland ingeschreven advocaat;

– advocaat bij de Hoge Raad: de advocaat, bedoeld in artikel 9j, eerste lid, van de Advocatenwet;

– advocatenpas: het door de Nederlandse orde van advocaten verstrekte middel dat dient ter identificatie van de advocaat als zodanig;

– authenticatiemiddel: een elektronisch middel dat een set van eigenschappen bevat waarmee de identiteit van een natuurlijk persoon kan worden vastgesteld;

– beoefenaar van een toegelaten vrij beroep: een beroepsbeoefenaar als bedoeld in artikel 5.4, eerste lid, onderdelen b en c;

– beroepsopleiding advocaten: de opleiding, bedoeld in artikel 9c, van de Advocatenwet;

– buitenstagiaire: de stagiaire aan wie op grond van artikel 9b, derde lid, van de Advocatenwet vrijstelling is verleend van de verplichting bij een patroon kantoor te houden;

– CCBE: Council of Bars and Law Societies of Europe;

– certificaat beroepsopleiding: het bewijs, bedoeld in artikel 8c, eerste lid, onderdeel c, onder 2°, van de Advocatenwet, dat met gunstig gevolg het in artikel 9c, eerste lid, van de Advocatenwet bedoelde examen is afgelegd;

- deken: de deken van de orde in het arrondissement, bedoeld in artikel 22, tweede lid, van de Advocatenwet;

– derdengelden: gelden die een relatie hebben met de dienst die door de advocaat wordt verleend en die niet zijn bestemd voor de advocaat in het kader van zijn optreden in die hoedanigheid, maar voor de cliënt of een derde, uitgezonderd verschotten en griffierechten;

– financiële resultaat: het totaal van de ontvangen hoofdsom, rente, kostenvergoedingen, inclusief vergoeding op grond van artikel 6:96 van het Burgerlijk Wetboek en (proces)kostenveroordelingen;

– geaccrediteerde opleidingsinstelling: een opleidingsinstelling die de in artikel 3.25 bedoelde accreditatie heeft verkregen;

– geheimhouder: een advocaat of een persoon met een van de advocaat afgeleide geheimhoudingsplicht en afgeleid verschoningsrecht;

– geheimhoudernummer: een telefoon- of faxnummer dat doorgaans gebruikt wordt door geheimhouders voor vertrouwelijke communicatie;

– houdster-rechtspersoon: een rechtspersoon die als feitelijke en statutaire activiteit heeft direct of indirect aandelen te houden in een praktijkrechtspersoon, lid te zijn van een coöperatie of op daarmee vergelijkbare wijze deel te nemen in een praktijkrechtspersoon;

– klacht: iedere schriftelijke uiting van ongenoegen van of namens de cliënt jegens de advocaat of de onder diens verantwoordelijkheid werkzame personen over de totstandkoming en de uitvoering van een overeenkomst van opdracht, de kwaliteit van de dienstverlening of de hoogte van de declaratie, niet zijnde een klacht als bedoeld in paragraaf 4 van de Advocatenwet;

– patroon: de advocaat onder wiens begeleiding de stagiaire de praktijk uitoefent;

– praktijk uitoefenen in dienst: een advocaat die op grond van een arbeidsovereenkomst of aanstelling een werkgever heeft;

– praktijkrechtspersoon: iedere op de uitoefening van de rechtspraktijk gerichte rechtspersoon die voldoet aan de in artikel 5.7 gestelde eisen, niet zijnde een houdster-rechtspersoon;

– raad van de orde: de raad van de orde in het arrondissement, bedoeld in artikel 22, eerste lid, van de Advocatenwet;

– samenwerkingsverband: een samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 5.3;

– specifieke kosten: kosten verbonden aan de behandeling van een zaak, waaronder in ieder geval

a. kosten gemaakt in opdracht van de advocaat voor medische adviezen en medische informatieverstrekking, toedrachtsonderzoeken of inschakeling van rekenbureaus, arbeidsdeskundigen en schade-experts; en

b. reiskosten van de advocaat, kosten van getuigen en tolken, deurwaarderskosten, kosten van gerechtelijk of buitengerechtelijk tussen partijen benoemde deskundigen, griffierecht, alsmede het bedrag van de eventuele kostenveroordeling van de rechtzoekende;

– stage: de uitoefening van de praktijk door een advocaat onder begeleiding van een patroon;

- stagiaire: een advocaat die verplicht is zijn praktijk uit te oefenen onder begeleiding van een patroon;

– stagiaire-ondernemer: de stagiaire die de praktijk voor eigen risico en rekening uitoefent;

– stichting derdengelden: een stichting die ten doel heeft de derdengelden te beheren;

– uitvoeringsorganisatie: de uitvoeringsorganisatie, bedoeld in artikel 3.23.

a. kosten gemaakt in opdracht van de advocaat voor medische adviezen en medische informatieverstrekking, toedrachtsonderzoeken of inschakeling van rekenbureaus, arbeidsdeskundigen en schade-experts; en

b. reiskosten van de advocaat, kosten van getuigen en tolken, deurwaarderskosten, kosten van gerechtelijk of buitengerechtelijk tussen partijen benoemde deskundigen, griffierecht, alsmede het bedrag van de eventuele kostenveroordeling van de rechtzoekende;

– stage: de uitoefening van de praktijk door een advocaat onder begeleiding van een patroon;

– stagiaire: een advocaat die verplicht is zijn praktijk uit te oefenen onder begeleiding van een patroon;

– stagiaire-ondernemer: de stagiaire die de praktijk voor eigen risico en rekening uitoefent;

– stichting derdengelden: een stichting die ten doel heeft de derdengelden te beheren;

– uitvoeringsorganisatie: de uitvoeringsorganisatie, bedoeld in artikel 3.23.

In de wijziging Advocatenwet kwaliteitstoetsen worden het eerste tot en met derde lid van artikel 8c van de Advocatenwet samengevoegd in een nieuw eerste lid en het vierde tot en met zevende lid vernummerd tot tweede tot en met vijfde lid. De verwijzing naar artikel 8c van de Advocatenwet in de definitie van ‘certificaat beroepsopleiding’ is hierop aangepast.

Artikel I, onderdeel B (opschrift hoofdstuk 2)

Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Hoofdstuk 2 Organisatie van de Nederlandse Orde van Advocaten

Hoofdstuk 2. Organisatie van de Nederlandse orde van advocaten

De benaming van de Nederlandse orde van advocaten in het opschrift van hoofdstuk 2 is aangepast aan de benaming in artikel 17, eerste lid, van de Advocatenwet.

Artikel I, onderdeel C (artikel 2.21)

Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 2.21 Taakomschrijving overige adviescommissies

Een adviescommissie heeft tot taak de algemene raad gevraagd of ongevraagd te adviseren over voorstellen voor wet- en regelgeving en beleidsvraagstukken die van belang zijn voor de advocatuur en de rechtzoekende in het algemeen.

Artikel 2.21 Taakomschrijving overige adviescommissies

Een adviescommissie heeft tot taak de algemene raad gevraagd of ongevraagd te adviseren over voorstellen voor wet- en regelgeving of beleidsvraagstukken die van belang zijn voor de advocatuur en de rechtzoekende in het algemeen.

Artikel 2.21 van de Voda is aangepast aan de formulering van artikel 2.20 op grond waarvan de algemene raad voor een rechtsgebied of beleidsterrein een adviescommissie kan instellen.

Artikel I, onderdeel D (artikel 2.31)

Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 2.31. Rechthebbenden vacatiegeld en reiskostenvergoeding

1. De algemene raad kent vacatiegeld en een reiskostenvergoeding toe aan:

a. de leden van een raad van discipline en het hof van discipline die tevens advocaat zijn;

b. de leden en plaatsvervangende leden van het college van afgevaardigden en de leden van het college van afgevaardigden die zijn benoemd in de financiële commissie, bedoeld in artikel 32, derde lid, van de Advocatenwet;

c. de leden van de raad van advies, de commissie civiele cassatie en de adviescommissie civiele cassatie;

d. de leden van de redactie van het Advocatenblad die tevens advocaat zijn;

e. de leden van de Stichting beroepsopleiding advocaten.

2. Onder plaatsvervangende leden als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt verstaan: als zodanig gekozen leden.

Artikel 2.31. Rechthebbenden vacatiegeld en reiskostenvergoeding

1. De algemene raad kent vacatiegeld en een reiskostenvergoeding toe aan:

a. de leden van een raad van discipline en het hof van discipline die tevens advocaat zijn;

b. de leden en plaatsvervangende leden van het college van afgevaardigden en de leden van het college van afgevaardigden die zijn benoemd in de financiële commissie, bedoeld in artikel 32, derde lid, van de Advocatenwet;

c. de leden van de raad van advies en de commissie civiele cassatie;

d. de leden van de redactie van het Advocatenblad die tevens advocaat zijn;

e. de leden van de Stichting beroepsopleiding advocaten.

2. Onder plaatsvervangende leden als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt verstaan: als zodanig gekozen leden.

Abusievelijk staat in artikel 2.31, eerste lid, aanhef en onderdeel c, nog ‘de adviescommissie civiele cassatie’ genoemd. Bij Verzamelverordening 2016 is deze adviescommissie komen te vervallen.

Artikel I, onderdeel E (artikel 2.36h)

Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 2.36h Verantwoording en subsidievaststelling

1. De aanvraag tot subsidievaststelling wordt schriftelijk ingediend bij de algemene raad uiterlijk dertien weken na het verrichten van de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend.

Artikel 2.36h Verantwoording en subsidievaststelling

1. De aanvraag tot subsidievaststelling wordt schriftelijk ingediend bij de algemene raad uiterlijk dertien weken na het verrichten van de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend.

2. De aanvraag wordt in ieder geval vergezeld van:

a. een inhoudelijk verslag, waaruit blijkt dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend zijn verricht;

b. een overzicht van de activiteiten en de hieraan verbonden uitgaven en inkomsten in een financieel verslag of jaarrekening; en

c. een balans van het afgelopen subsidietijdvak met een toelichting daarop.

2. De aanvraag wordt in ieder geval vergezeld van:

a. een inhoudelijk verslag, waaruit blijkt dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend zijn verricht;

b. een overzicht van de activiteiten en de hieraan verbonden uitgaven en inkomsten in een financieel verslag of jaarrekening; en

c. een balans op het einde van het afgelopen subsidietijdvak het afgelopen subsidietijdvak met een toelichting daarop.

3. De algemene raad kan afwijken van het bepaalde in het tweede lid of andere gegevens opvragen die voor de subsidievaststelling van belang zijn.

3. De algemene raad kan afwijken van het bepaalde in het tweede lid of andere gegevens opvragen die voor de subsidievaststelling van belang zijn.

4. De algemene raad besluit op een aanvraag tot subsidievaststelling binnen dertien weken na ontvangst van de volledige aanvraag.

4. De algemene raad besluit op een aanvraag tot subsidievaststelling binnen dertien weken na ontvangst van de volledige aanvraag.

Een balans is een momentopname. Verduidelijkt is dat een balans dient te worden overgelegd die betrekking heeft op het tijdvak waarop de subsidie betrekking heeft.

Artikel I, onderdeel F (artikel 3.2)

Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 3.2 Voltooide stage

1. De stage is voltooid op het moment waarop de termijn, bedoeld in artikel 9b, eerste onderscheidenlijk tweede lid, van de Advocatenwet, is verstreken en:

a. de stagiaire beschikt over het certificaat beroepsopleiding;

b. de stagiaire voldoet aan het bepaalde in artikel 3.9 en artikel 3.10, eerste lid; en

c. de raad van de orde, gehoord de patroon en de stagiaire, oordeelt dat de stagiaire over voldoende praktijkervaring beschikt, bedoeld in artikel 9b, tweede lid, van de Advocatenwet.

Artikel 3.2 Voltooide stage

De stagiaire krijgt de verklaring, bedoeld in artikel 9b, vijfde lid, van de Advocatenwet, op het moment waarop de termijn, bedoeld in artikel 9b, eerste onderscheidenlijk tweede lid, van de Advocatenwet, is verstreken en:

a. de stagiaire beschikt over het certificaat beroepsopleiding;

b. de stagiaire voldoet aan het bepaalde in artikel 3.9 en artikel 3.10, eerste lid; en

c. de raad van de orde, gehoord de patroon en de stagiaire, oordeelt dat de stagiaire over voldoende praktijkervaring beschikt, bedoeld in artikel 9b, tweede lid, van de Advocatenwet.

2. De raad van de orde verstrekt aan de stagiaire, wiens stage overeenkomstig het eerste lid is voltooid, een verklaring dat de stage is voltooid.

[vervallen]

Als gevolg van de wijziging Advocatenwet kwaliteitstoetsen wordt in het nieuwe vijfde lid van artikel 9b van de Advocatenwet bepaald dat een stagiaire een verklaring ontvangt van het succesvol afronden van de stage (zie artikel I, onderdeel E, van de wijziging Advocatenwet kwaliteitstoetsen). Het tweede lid van artikel 3.2 van de Voda, waarin hetzelfde wordt geregeld, wordt dan ook geschrapt. Ter verduidelijking is in het eerste lid van artikel 3.2 een verwijzing naar artikel 9b, vijfde lid, van de Advocatenwet ingevoegd.

Artikel I, onderdeel G (artikel 3.4)

Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 3.4 Stage geëindigd of opgeschort

1. De stage eindigt zonder stageverklaring:

a. met wederzijds goedvinden van patroon en stagiaire;

b. door opzegging door de stagiaire;

c. door opzegging door de patroon, na daartoe verkregen goedkeuring van de raad van de orde;

d. door een ambtshalve beslissing van de raad van de orde.

Artikel 3.4 Stage geëindigd of opgeschort

1. De stage eindigt zonder stageverklaring:

a. met wederzijds goedvinden van patroon en stagiaire;

b. door opzegging door de stagiaire;

c. door opzegging door de patroon, na daartoe verkregen goedkeuring van de raad van de orde;

d. door een ambtshalve beslissing van de raad van de orde.

2. De stage is van rechtswege opgeschort:

a. indien de stagiaire de praktijk meer dan drie maanden niet uitoefent, tenzij dit het gevolg is van wettelijk zwangerschaps- of bevallingsverlof;

b. indien de stagiaire geen patroon heeft of de praktijk niet onder zijn begeleiding uitoefent;

c. indien de patroon is geschorst, de praktijk niet meer uitoefent of de stagiaire niet meer kan begeleiden;

d. zodra de patroon en de stagiaire niet langer in hetzelfde arrondissement zijn ingeschreven.

2. De stage is van rechtswege opgeschort:

a. indien de stagiaire de praktijk meer dan drie maanden niet uitoefent, tenzij dit het gevolg is van wettelijk zwangerschaps- of bevallingsverlof;

b. indien de stagiaire geen patroon heeft of de praktijk niet onder zijn begeleiding uitoefent;

c. indien de patroon is geschorst, de praktijk niet meer uitoefent of de stagiaire niet meer kan begeleiden;

d. zodra de patroon en de stagiaire niet langer in hetzelfde arrondissement zijn ingeschreven.

3. De opzegging, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, kan zonder voorafgaande goedkeuring door de raad van de orde plaatsvinden indien het certificaat beroepsopleiding niet meer kan worden overgelegd binnen het tijdvak, bedoeld in artikel 8c, tweede lid, van de Advocatenwet.

3. De opzegging, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, kan zonder voorafgaande goedkeuring door de raad van de orde plaatsvinden indien het certificaat beroepsopleiding niet meer kan worden overgelegd binnen het tijdvak, bedoeld in artikel 8c, eerste lid, aanhef en onderdeel c, en tweede lid, van de Advocatenwet.

4. De in het eerste lid, onderdeel c, bedoelde goedkeuring wordt alleen geweigerd indien de opzegging onredelijk is.

4. De in het eerste lid, onderdeel c, bedoelde goedkeuring wordt alleen geweigerd indien de opzegging onredelijk is.

5. De patroon brengt het einde van de stage of de opschorting, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdelen a, b en c, en tweede lid, onverwijld schriftelijk ter kennis van de raad van de orde.

5. De patroon brengt het einde van de stage of de opschorting, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdelen a, b en c, en tweede lid, onverwijld schriftelijk ter kennis van de raad van de orde.

In het derde lid van artikel 3.4 van de Voda wordt abusievelijk verwezen naar artikel 8c, tweede lid, van de Advocatenwet (in plaats van het huidige artikel 8c, derde lid, aanhef, van de Advocatenwet). Bedoeld wordt immers te verwijzen naar het tijdvak van drie jaar van voorwaardelijke inschrijving op het tableau. Als gevolg van de vernummering van leden in artikel 8c van de Advocatenwet (zie artikel I, onderdeel D, van de wijziging Advocatenwet kwaliteitstoetsen) dient in artikel 3.4, derde lid, van de Voda verwezen te worden naar ‘artikel 8c, eerste lid, onderdeel c, en tweede lid, van de Advocatenwet’.

Artikel I, onderdeel H (artikel 3.22)

Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 3.22 Terme de grâce

1. De algemene raad kan een stagiaire die is geschrapt op grond van artikel 8c, derde lid, van de Advocatenwet, desgevraagd, binnen twee jaar na de schrapping, nog ten hoogste twee maal toelaten tot een toets in de nog niet behaalde examenonderdelen, tenzij daardoor het aantal toetskansen, bedoeld in artikel 3.19, zesde lid, wordt overschreden.

Artikel 3.22 Terme de grâce

1. De algemene raad kan een persoon die is geschrapt op grond van artikel 8c, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de Advocatenwet, desgevraagd, binnen twee jaar na de schrapping, nog ten hoogste tweemaal toelaten tot een toets in de nog niet behaalde examenonderdelen, tenzij daardoor het aantal toetskansen, bedoeld in artikel 3.19, zesde lid, wordt overschreden.

2. Het verzoek, bedoeld in het eerste lid, wordt slechts ingewilligd indien:

a. het onderwijs in het onderdeel van de beroepsopleiding advocaten waarop het verzoek ziet, is gevolgd dan wel indien daarvoor een vrijstelling als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, is verleend, en

b. de afwijzing naar het oordeel van de algemene raad zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

2. Het verzoek, bedoeld in het eerste lid, wordt slechts ingewilligd indien:

a. het onderwijs in het onderdeel van de beroepsopleiding advocaten waarop het verzoek ziet, is gevolgd dan wel indien daarvoor een vrijstelling als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, is verleend, en

b. de afwijzing naar het oordeel van de algemene raad zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

In de wijziging Advocatenwet kwaliteitstoetsen worden het eerste tot en met derde lid van artikel 8c van de Advocatenwet samengevoegd in een nieuw eerste lid en het vierde tot en met zevende lid vernummerd tot tweede tot en met vijfde lid. De verwijzing naar artikel 8c van de Advocatenwet in artikel 3.22, eerste lid, van de Voda is hierop aangepast.

Verder is ‘een stagiaire’ vervangen door ‘een persoon’, zodat tot uitdrukking wordt gebracht dat het gaat om een persoon die niet langer staat ingeschreven als advocaat.

Artikel I, onderdeel I (artikel 3.23)

Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 3.23 Uitvoeringsorganisatie beroepsopleiding advocaten

De algemene raad sluit een overeenkomst met een uitvoeringsorganisatie over de uitvoering van de beroepsopleiding advocaten, met inbegrip van de bevoegdheid om examens af te nemen en met inachtneming van het in de Advocatenwet en bij of krachtens deze verordening bepaalde.

Artikel 3.23 Uitvoeringsorganisatie beroepsopleiding advocaten

De Nederlandse orde van advocaten sluit een overeenkomst met een uitvoeringsorganisatie over de uitvoering van de beroepsopleiding advocaten, met inbegrip van de bevoegdheid om examens af te nemen en met inachtneming van het in de Advocatenwet en bij of krachtens deze verordening bepaalde.

Een civielrechtelijke overeenkomst wordt gesloten tussen natuurlijke of rechtspersonen, in dit geval tussen de Nederlandse orde van advocaten (namens deze de algemene raad) en de rechtspersoon uitvoeringsorganisatie (of waarvan de uitvoeringsorganisatie onderdeel uitmaakt).

Artikel I, onderdelen J, K, V en W (artikelen 4.2, 6.31 en 6.32)

Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 4.2 Reikwijdte

1. Deze paragraaf is van toepassing op de advocaat die al dan niet onderbroken drie jaar of langer op het tableau is ingeschreven.

Artikel 4.2 Reikwijdte

1. Deze paragraaf is van toepassing op de advocaat die al dan niet onderbroken drie jaar of langer op het tableau is ingeschreven. In afwijking van de eerste volzin is artikel 4.4, tweede lid, van toepassing op de advocaat die onvoorwaardelijk op het tableau is ingeschreven.

2. Deze paragraaf is van toepassing op de advocaat die is ingeschreven op grond van artikel 16h van de Advocatenwet.

2. In afwijking van het eerste lid is deze paragraaf van toepassing op een advocaat die is ingeschreven op basis van een ten aanzien van het beroep van advocaat afgegeven erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties of op grond van artikel 16h van de Advocatenwet.

Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 6.31 Reikwijdte

1. Deze afdeling is van toepassing op de advocaat die al dan niet onderbroken drie jaar of langer op het tableau is ingeschreven.

Artikel 6.31 Reikwijdte

1. Deze afdeling is van toepassing op de advocaat die onvoorwaardelijk op het tableau is ingeschreven.

2. Deze afdeling is van toepassing op de advocaat die is ingeschreven op grond van artikel 16h van de Advocatenwet.

2. In afwijking van het eerste lid is deze afdeling van toepassing op een advocaat die is ingeschreven op basis van een ten aanzien van het beroep van advocaat afgegeven erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties of op grond van artikel 16h van de Advocatenwet.

Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 6.32 Registratie rechtsgebiedenregister

1. Een advocaat registreert zich op het tableau op ten minste één en ten hoogste vier rechtsgebieden waarop hij tien opleidingspunten als bedoeld in artikel 4.4, tweede lid, heeft behaald, aan de hand van een lijst van rechtsgebieden, bedoeld in het vijfde lid.

Artikel 6.32 Registratie rechtsgebiedenregister

1. Een advocaat registreert zich op het tableau op ten minste één en ten hoogste vier rechtsgebieden waarop hij tien opleidingspunten als bedoeld in artikel 4.4, tweede lid, heeft behaald, aan de hand van een lijst van rechtsgebieden, bedoeld in het vijfde lid.

2. Een advocaat die in het voorafgaande kalenderjaar op een desbetreffend geregistreerd rechtsgebied tien opleidingspunten als bedoeld in artikel 4.4, tweede lid, heeft behaald, maakt openbaar en publiekelijk toegankelijk bekend dat hij staat geregistreerd op een wijze overeenkomstig het model, bedoeld in het vierde lid.

2. Een advocaat die in het voorafgaande kalenderjaar op een desbetreffend geregistreerd rechtsgebied tien opleidingspunten als bedoeld in artikel 4.4, tweede lid, heeft behaald, maakt openbaar en publiekelijk toegankelijk bekend dat hij staat geregistreerd op een wijze overeenkomstig een model, bedoeld in het vierde lid.

3. De advocaat actualiseert zijn registratie op het tableau en zijn openbare bekendmaking als bedoeld in het tweede lid onverwijld bij wijzigingen.

3. Een advocaat actualiseert zijn registratie op het tableau en zijn openbare bekendmaking als bedoeld in het tweede lid onverwijld bij wijzigingen.

4. De algemene raad stelt een model vast voor het openbaar en publiekelijk toegankelijk bekend maken van de registratie.

4. De algemene raad stelt modellen vast voor het openbaar en publiekelijk toegankelijk bekend maken van de registratie.

5. De algemene raad stelt een lijst van rechtsgebieden vast, waarop in ieder geval staat ‘algemene praktijk’.

5. De algemene raad stelt een lijst van rechtsgebieden vast, waarop in ieder geval staat ‘algemene praktijk’.

6. De algemene raad stelt nadere regels over de wijze waarop de registratie op het tableau plaatsvindt en het openbaar en publiekelijk toegankelijk maken van de registratie.

6. De algemene raad stelt nadere regels over de wijze waarop de registratie op het tableau plaatsvindt en het openbaar en publiekelijk toegankelijk maken van de registratie.

 

7. Met ingang van het moment waarop deze afdeling op een advocaat van toepassing is, kan hij zich registreren als bedoeld in het eerste lid op basis van opleidingspunten als bedoeld in artikel 4.4, tweede lid, die voorafgaand aan dat moment zijn behaald, maar nadat hij in het bezit is gesteld van het certificaat beroepsopleiding advocaten.

Op grond van de huidige artikelen 4.2, eerste lid, en 6.31 van de Voda gelden de regels omtrent het behalen van opleidingspunten ten behoeve van de registratie op een rechtsgebied (artikel 4.4, tweede lid) alsmede de regels omtrent deze registratie (artikel 6.32) voor elke advocaat die al dan niet onderbroken drie jaar of langer op het tableau is ingeschreven. Of hij stagiaire is en/of deeltijd werkt, is op dit moment niet relevant. Dit betekent dat een stagiaire die drie jaar, waarvan ten minste zes maanden in het desbetreffende kalenderjaar, op het tableau is ingeschreven, in dat kalenderjaar verplicht is ten minste tien opleidingspunten te behalen op ieder rechtsgebied waarop hij zich uiterlijk het daaropvolgende kalenderjaar gaat registreren als bedoeld in artikel 6.32 van de Voda.

Met de in de wijziging Advocatenwet kwaliteitstoets voorziene wijziging van artikel 1 van die wet, wordt verduidelijkt dat pas nadat een stagiaire de beroepsopleiding advocaten heeft voltooid en een stageverklaring heeft ontvangen, hij niet langer verplicht is om onder toezicht van een patroon werkzaam te zijn. Deze verduidelijking geeft aanleiding om de verplichting om voor rechtsgebieden opleidingspunten te behalen alsmede om dit te registreren, alleen van toepassing te laten zijn op een advocaat die onvoorwaardelijk op het tableau is ingeschreven en – zoals het huidige artikel 4.4, tweede lid, reeds bepaalt – in het desbetreffende jaar ten minste zes maanden is ingeschreven. De rechtzoekende is gebaat bij een goed zoekregister waarin duidelijk zichtbaar is op welke rechtsgebieden advocaten werkzaam zijn. Het dient daarbij te gaan om advocaten die in staat zijn zelfstandig en naar behoren de praktijk uit te oefenen. Een advocaat die voorwaardelijk is ingeschreven (de stagiaire), voldoet hier (nog) niet aan. De verplichting om opleidingspunten voor rechtsgebieden te behalen geldt derhalve niet voor de advocaat die voorwaardelijk op het tableau is ingeschreven.

Het nieuwe zevende lid van artikel 6.32 maakt het mogelijk dat een stagiaire na het behalen van het certificaat beroepsopleiding advocaten opleidingspunten als bedoeld in artikel 4.4, tweede lid, voor ten minste één en ten hoogste vier rechtsgebieden kan behalen ten behoeve van de registratie van deze rechtsgebieden met ingang van het moment waarop de inschrijving op het tableau onvoorwaardelijk is. Hiermee wordt het voor een advocaat mogelijk om zich met ingang van het moment van onvoorwaardelijke inschrijving direct te registreren als bedoeld in artikel 6.32 van de Voda. Met de verwijzing in artikel 6.32, zevende lid, naar ‘artikel 4.4, tweede lid,’ wordt tot uitdrukking gebracht dat het moet gaan om opleidingspunten die voldoen aan artikel 4.4, vijfde en zesde lid, van de Voda.

Daarnaast is in het tweede lid van artikel 4.2 een zinsnede ingevoegd en is het tweede lid van artikel 6.31 gewijzigd. De huidige artikelen 4.2, tweede lid, en 6.31, tweede lid, regelen niet dat op een advocaat die is ingeschreven op het tableau op basis van een ten aanzien van het beroep van advocaat afgegeven erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties paragraaf 4.1.2 onderscheidenlijk afdeling 6.9 van toepassing is. Een dergelijke advocaat is evenwel onvoorwaardelijk ingeschreven op het tableau. Het is niet wenselijk dat op een dergelijke advocaat eerst na drie jaar paragraaf 4.1.2 en afdeling 6.9 van toepassing zijn.

De wijzigingen in het eerste en tweede lid van artikel 4.2 zijn in afzonderlijke onderdelen van artikel I van dit voorstel opgenomen, aangezien ze niet op hetzelfde moment in werking zullen treden (zie artikel II van het voorstel).

Ten slotte is artikel 6.32, tweede en vierde lid, van de Voda aangepast. Uit het huidige vierde lid zou kunnen worden afgeleid dat slechts één model voor het openbaar en publiekelijk toegankelijk bekendmaken van de registratie wordt beoogd. De wens is evenwel om in de Regeling op de advocatuur meerdere modellen vast te stellen.

Artikel I, onderdeel L (artikel 4.4, vierde lid)

Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 4.4 Opleidingspunten

1. Een advocaat behaalt elk kalenderjaar ten minste twintig opleidingspunten, waarvan ten minste de helft betrekking heeft op juridische activiteiten op een voor zijn praktijk relevant rechtsgebied.

Artikel 4.4 Opleidingspunten

1. Een advocaat behaalt elk kalenderjaar ten minste twintig opleidingspunten, waarvan ten minste de helft betrekking heeft op juridische activiteiten op een voor zijn praktijk relevant rechtsgebied.

2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid behaalt de advocaat die ten minste zes maanden is ingeschreven, elk kalenderjaar ten minste tien opleidingspunten op ieder rechtsgebied waarop hij zich het daaropvolgende kalenderjaar gaat registreren als bedoeld in artikel 6.32.

2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid behaalt de advocaat die ten minste zes maanden is ingeschreven, elk kalenderjaar ten minste tien opleidingspunten op ieder rechtsgebied waarop hij zich het daaropvolgende kalenderjaar gaat registreren als bedoeld in artikel 6.32.

3. Indien deze paragraaf in een kalenderjaar korter dan elf maanden van toepassing is op een advocaat, wordt het aantal opleidingspunten, bedoeld in het eerste lid naar rato verminderd.

3. Indien deze paragraaf in een kalenderjaar korter dan elf maanden van toepassing is op een advocaat, wordt het aantal opleidingspunten, bedoeld in het eerste lid naar rato verminderd.

4. Een advocaat die ten minste tien opleidingspunten heeft behaald die betrekking hebben op juridische activiteiten op een voor zijn praktijk relevant rechtsgebied kan een tekort aan opleidingspunten als bedoeld in het eerste en tweede lid, tot een maximum van tien punten compenseren met een overschot aan punten dat hij in het voorafgaande kalenderjaar heeft behaald.

4. Een advocaat die ten minste tien opleidingspunten heeft behaald die betrekking hebben op juridische activiteiten op een voor zijn praktijk relevant rechtsgebied kan een tekort aan opleidingspunten als bedoeld in het eerste en tweede lid, tot een maximum van tien punten compenseren met een overschot aan punten dat hij in het voorafgaande kalenderjaar heeft behaald. Een tekort aan opleidingspunten als bedoeld in het tweede lid kan uitsluitend worden gecompenseerd met opleidingspunten op hetzelfde rechtsgebied.

5. Een advocaat behaalt één opleidingspunt door:

a. ieder heel uur dat hij academisch of postacademisch onderwijs heeft gevolgd dat de praktijkuitoefening of de praktijkvoering ten goede komt, indien:

• het onderwijs gegeven is door deskundige docenten;

• de identiteit en de aanwezigheid van de deelnemende advocaat zijn vastgesteld;

• het onderwijs niet de beroepsopleiding advocaten betreft; en

• indien het onderwijs uitsluitend op afstand is gevolgd, het onderwijs is afgesloten met een toets, waarvoor een voldoende is behaald en de gemiddelde tijdsbesteding vooraf is aangegeven;

b. ieder half uur dat hij academisch of postacademisch onderwijs heeft gegeven dat de praktijkuitoefening of de praktijkvoering ten goede komt;

c. iedere 500 woorden van een juridisch artikel dat hij heeft geschreven en dat is gepubliceerd in de rechtsliteratuur;

d. andere activiteiten, waarvoor de algemene raad nadere regels kan stellen betreffende het aantal opleidingspunten dat behaald kan worden.

5. Een advocaat behaalt één opleidingspunt door:

a. ieder heel uur dat hij academisch of postacademisch onderwijs heeft gevolgd dat de praktijkuitoefening of de praktijkvoering ten goede komt, indien:

• het onderwijs gegeven is door deskundige docenten;

• de identiteit en de aanwezigheid van de deelnemende advocaat zijn vastgesteld;

• het onderwijs niet de beroepsopleiding advocaten betreft; en

• indien het onderwijs uitsluitend op afstand is gevolgd, het onderwijs is afgesloten met een toets, waarvoor een voldoende is behaald en de gemiddelde tijdsbesteding vooraf is aangegeven;

b. ieder half uur dat hij academisch of postacademisch onderwijs heeft gegeven dat de praktijkuitoefening of de praktijkvoering ten goede komt;

c. iedere 500 woorden van een juridisch artikel dat hij heeft geschreven en dat is gepubliceerd in de rechtsliteratuur;

d. andere activiteiten, waarvoor de algemene raad nadere regels kan stellen betreffende het aantal opleidingspunten dat behaald kan worden.

6. De algemene raad stelt regels:

a. die een niet-limitatieve lijst van activiteiten betreffen waarvoor geen opleidingspunten behaald kunnen worden;

b. over erkenning van opleidingsinstellingen waardoor deze op voorhand kunnen aangeven hoeveel opleidingspunten toegekend worden aan een opleiding.

6. De algemene raad stelt regels:

a. die een niet-limitatieve lijst van activiteiten betreffen waarvoor geen opleidingspunten behaald kunnen worden;

b. over erkenning van opleidingsinstellingen waardoor deze op voorhand kunnen aangeven hoeveel opleidingspunten toegekend worden aan een opleiding.

7. Een advocaat toont aan dat de opleidingspunten zijn behaald door overlegging van adequate bewijsstukken met vermelding daarbij, voor zover van toepassing, van de geregistreerde rechtsgebieden als bedoeld in artikel 6.32 waarop de opleidingspunten betrekking hebben.

7. Een advocaat toont aan dat de opleidingspunten zijn behaald door overlegging van adequate bewijsstukken met vermelding daarbij, voor zover van toepassing, van de geregistreerde rechtsgebieden als bedoeld in artikel 6.32 waarop de opleidingspunten betrekking hebben.

In het vierde lid is verduidelijkt dat bij een tekort aan opleidingspunten als bedoeld in het tweede lid, compensatie uitsluitend is toegestaan voor opleidingspunten op hetzelfde hoofd-rechtsgebied.

Artikel I, onderdelen M, N en O (artikelen 4.5 tot en met 4.7)

Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 4.5 Inhaalverplichting

1. Indien een advocaat niet voldoet aan het bepaalde in artikel 4.4, eerste tot en met derde lid, haalt hij uiterlijk binnen twaalf maanden na afloop van het desbetreffende kalenderjaar het tekort aan opleidingspunten in.

Artikel 4.5 Inhaalverplichting

1. Indien een advocaat niet voldoet aan artikel 4.4, eerste, derde en vierde lid, haalt hij uiterlijk binnen twaalf maanden na afloop van het desbetreffende kalenderjaar het tekort aan opleidingspunten in.

2. De op grond van het eerste lid ingehaalde opleidingspunten gelden niet als opleidingspunten als bedoeld in artikel 4.4, eerste lid, of als overschot als bedoeld in het artikel 4.4, derde lid.

2. De op grond van het eerste lid ingehaalde opleidingspunten gelden niet als opleidingspunten als bedoeld in artikel 4.4, eerste lid, of als overschot als bedoeld in het artikel 4.4, vierde lid.

3. Dit artikel laat onverlet dat de deken een dekenbezwaar kan indienen op grond van artikel 46f van de Advocatenwet.

3. Dit artikel laat onverlet dat de deken een dekenbezwaar kan indienen op grond van artikel 46f van de Advocatenwet.

Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 4.6 Herintredersregeling

1. Een advocaat die meer dan een jaar niet ingeschreven heeft gestaan, behaalt in de twaalf maanden na zijn beëdiging twintig opleidingspunten met juridische activiteiten op een voor zijn praktijk relevant rechtsgebied, in aanvulling op het bepaalde in artikel 4.4, eerste en tweede lid.

Artikel 4.6 Herintredersregeling

1. Een advocaat die meer dan een jaar niet ingeschreven heeft gestaan, behaalt in de twaalf maanden na zijn beëdiging twintig opleidingspunten met juridische activiteiten op een voor zijn praktijk relevant rechtsgebied, onverminderd het bepaalde in artikel 4.4, eerste, tweede en derde lid.

2. Een advocaat kan bij de raad van de orde binnen vier weken na beëdiging gehele of gedeeltelijke vrijstelling verzoeken van het eerste lid, waarbij hij aantoont dat hij voldoende actuele kennis heeft van de voor zijn praktijk relevante rechtsgebieden.

2. Een advocaat kan bij de raad van de orde binnen vier weken na beëdiging gehele of gedeeltelijke vrijstelling verzoeken van het eerste lid, waarbij hij aantoont dat hij voldoende actuele kennis heeft van de voor zijn praktijk relevante rechtsgebieden.

3. De raad van de orde kan voorwaarden verbinden aan de vrijstelling, bedoeld in het tweede lid.

3. De raad van de orde kan voorwaarden verbinden aan de vrijstelling, bedoeld in het tweede lid.

Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 4.7 Langdurige ziekte

1. Indien een advocaat de praktijk meer dan zes maanden niet heeft uitgeoefend in verband met ziekte kan hij een beroep doen op toepassing van het tweede tot en met vierde lid.

Artikel 4.7 Langdurige ziekte

1. Indien een advocaat de praktijk meer dan zes maanden niet heeft uitgeoefend in verband met ziekte kan hij een beroep doen op toepassing van het tweede tot en met vierde lid.

2. Artikel 4.4, eerste lid, is niet van toepassing zo lang de advocaat de praktijk niet uitoefent. Artikel 4.5 is niet van toepassing op een tekort aan opleidingspunten ontstaan voordat het onderhavige derde en vierde lid van toepassing werden.

2. Artikel 4.4, eerste en tweede lid, is niet van toepassing zo lang de advocaat de praktijk niet uitoefent. Artikel 4.5 is niet van toepassing op een tekort aan opleidingspunten ontstaan voordat het onderhavige derde en vierde lid van toepassing werden.

3. Op het moment dat de advocaat de praktijkuitoefening geheel of gedeeltelijk hervat:

a. wordt het aantal opleidingspunten, bedoeld in artikel 4.4, eerste lid, dat hij dient te behalen in het kalenderjaar dat hij de praktijkuitoefening hervat, naar rato verminderd overeenkomstig artikel 4.4, tweede lid; en

b. behaalt de advocaat binnen twaalf maanden op een voor zijn praktijk relevant rechtsgebied;

– vijf opleidingspunten indien de advocaat minder dan twaalf maanden de praktijk niet heeft uitgeoefend;

– tien opleidingspunten indien de advocaat twaalf maanden of meer maar minder dan vierentwintig maanden de praktijk niet heeft uitgeoefend;

– twintig opleidingspunten indien de advocaat meer dan vierentwintig maanden de praktijk niet heeft uitgeoefend.

3. Op het moment dat de advocaat de praktijkuitoefening geheel of gedeeltelijk hervat:

a. wordt het aantal opleidingspunten, bedoeld in artikel 4.4, eerste lid, dat hij dient te behalen in het kalenderjaar dat hij de praktijkuitoefening hervat, naar rato verminderd overeenkomstig artikel 4.4, derde lid; en

b. behaalt de advocaat binnen twaalf maanden op een voor zijn praktijk relevant rechtsgebied;

– vijf opleidingspunten indien de advocaat minder dan twaalf maanden de praktijk niet heeft uitgeoefend;

– tien opleidingspunten indien de advocaat twaalf maanden of meer maar minder dan vierentwintig maanden de praktijk niet heeft uitgeoefend;

– twintig opleidingspunten indien de advocaat meer dan vierentwintig maanden de praktijk niet heeft uitgeoefend.

 

4. Indien een advocaat in het kalenderjaar waarin hij de praktijkuitoefening geheel of gedeeltelijk hervat zes maanden of minder de praktijk uitoefent, is artikel 4.4, tweede lid, niet van toepassing in dat kalenderjaar.

4. Een advocaat kan binnen vier weken nadat hij de praktijk geheel of gedeeltelijk heeft hervat de raad van de orde verzoeken om gehele of gedeeltelijke vrijstelling van het derde lid, onderdeel b, waarbij hij aantoont dat hij voldoende actuele kennis heeft van de voor zijn praktijk relevante rechtsgebieden. De raad van de orde kan aan de vrijstelling voorwaarden verbinden.

5. Een advocaat kan binnen vier weken nadat hij de praktijk geheel of gedeeltelijk heeft hervat de raad van de orde verzoeken om gehele of gedeeltelijke vrijstelling van het derde lid, onderdeel b, waarbij hij aantoont dat hij voldoende actuele kennis heeft van de voor zijn praktijk relevante rechtsgebieden. De raad van de orde kan aan de vrijstelling voorwaarden verbinden.

Abusievelijk waren de artikelen 4.5 tot en met 4.7 van de Voda niet aangepast nadat in artikel 4.4 het tweede lid (opleidingspunten rechtsgebieden) is ingevoegd.1

In artikel 4.5, eerste lid, van de Voda is aangegeven dat de inhaalverplichting alleen geldt voor het niet voldoen aan artikel 4.4, eerste, derde en vierde lid, van de Voda. Het doel van deze artikelleden is immers dat een advocaat zijn vakbekwaamheid onderhoudt. De inhaalverplichting geldt niet voor artikel 4.4, tweede lid, van de Voda (opleidingspunten voor rechtsgebieden). Een tekort aan opleidingspunten voor rechtsgebieden (zonder dat dit tekort op grond van het vierde lid kan worden gecompenseerd) leidt ertoe dat een advocaat zich niet (langer) op deze rechtsgebieden mag registreren op grond van artikel 6.32 van de Voda. Staat hij reeds geregistreerd, dan dient hij dit op grond van artikel 6.32, derde lid, aan te passen.

In het eerste lid van artikel 4.6 is verduidelijkt dat de herintredersregeling onverlet laat dat de advocaat dient te voldoen aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 4.4, eerste én tweede lid, van de Voda.

Met de voorgestelde wijziging in artikel 4.7, tweede lid, van de Voda wordt bewerkstelligd dat een advocaat die de praktijk meer dan zes maanden niet heeft uitgeoefend een verzoek kan doen om artikel 4.4, eerste én tweede lid, van de Voda niet op hem van toepassing te laten zijn zo lang hij de praktijk niet uitoefent. Overigens zal deze advocaat zijn registratie van (een) rechtsgebied(en) op het tableau en zijn openbare bekendmaking van deze registratie onverwijld moeten aanpassen (artikel 6.32, derde lid, van de Voda).

In het verlengde van de zes maandentermijn in artikel 4.4, tweede lid, van de Voda, voorziet het nieuwe vierde lid van artikel 4.7 in een regeling voor de verplichte opleidingspunten voor rechtsgebieden bij hervatting van de praktijkuitoefening. Indien een advocaat in het kalenderjaar waarin hij de praktijk geheel of gedeeltelijk hervat minder dan zes maanden de praktijk uitoefent, geldt artikel 4.4, tweede lid, in dat kalenderjaar niet.

Artikel I, onderdeel P (artikel 6.13)

Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 6.13 Advocatenpas

1. Een advocaat beschikt over een advocatenpas, uitgegeven door een leverancier die door de algemene raad is geselecteerd op grond van artikel 6.16.

Artikel 6.13 Advocatenpas

1. Een advocaat beschikt over een geldige advocatenpas, uitgegeven door een leverancier die door de algemene raad is geselecteerd op grond van artikel 6.16.

2. De advocatenpas is tevens het authenticatiemiddel voor de beveiligde internetomgeving van de Nederlandse orde van advocaten en de orden van advocaten in de arrondissementen.

2. De advocatenpas is tevens het authenticatiemiddel voor de beveiligde internetomgeving van de Nederlandse orde van advocaten en de orden van advocaten in de arrondissementen.

Een advocatenpas heeft een beperkte geldigheidsduur (zie artikel 27 van de Regeling op de advocatuur). Een advocaat dient te beschikken over een geldige pas.

Artikel I, onderdeel Q (artikel 6.14)

Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 6.14 Gemachtigden

1. Een advocaat kan een authenticatiemiddel aanvragen voor door hem gemachtigde personen.

1. Een advocaat kan een authenticatiemiddel aanvragen voor door hem gemachtigde personen ten behoeve van de toegang tot de beveiligde internetomgeving van de Nederlandse orde van advocaten en de orden van advocaten in de arrondissementen.

2. Een advocaat kan uitsluitend personen machtigen die onder zijn verantwoordelijkheid werkzaam zijn en advocaten die binnen hetzelfde kantoor of op hetzelfde adres werkzaam zijn.

2. Een advocaat kan uitsluitend personen machtigen die onder zijn verantwoordelijkheid werkzaam zijn of advocaat zijn.

3. De advocaat draagt er zorg voor dat de gemachtigde het authenticatiemiddel gebruikt conform zijn opdracht en met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze afdeling.

3. Een advocaat draagt er zorg voor dat de gemachtigde het authenticatiemiddel gebruikt conform zijn opdracht en met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze afdeling.

In het eerste lid is verduidelijkt waarvoor de advocatenpas kan worden gebruikt.

In het tweede lid is geschrapt dat een authenticatiemiddel alleen kan worden verkregen voor advocaten die binnen hetzelfde kantoor of op hetzelfde adres werkzaam zijn. Het is wenselijk dat een advocaat ook voor andere advocaten een authenticatiemiddel kan aanvragen. De voorgestelde wijziging in het tweede lid is behulpzaam voor advocaten van kantoren met verschillende vestigingen die op het tableau niet als één kantoor worden gezien. Ook maakt de voorgestelde wijziging het voor een eenmanskantoor mogelijk om een collega-advocaat aan te wijzen.

Artikel I, onderdeel R (artikel 6.17)

Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 6.17 Informatie door secretaris van de algemene raad

De secretaris van de algemene raad informeert de leverancier van de advocatenpas en het authenticatiemiddel onverwijld over opschorting van de stage dan wel schrapping of doorhaling van het tableau of schorsing in de uitoefening van de praktijk van een advocaat.

Artikel 6.17. Informatie door secretaris van de algemene raad

De secretaris van de algemene raad informeert de leverancier van de advocatenpas en het authenticatiemiddel onverwijld over schrapping of doorhaling van het tableau of schorsing in de uitoefening van de praktijk van een advocaat opdat het authenticatiemiddel wordt geblokkeerd.

Het doel van het informeren van de leverancier is toegevoegd aan het artikel. Na de melding aan de leverancier zorgt deze ervoor dat het authenticatiemiddel niet meer kan worden gebruikt. Bij schorsing is de blokkering tijdelijk.

Tevens is de zinsnede ‘opschorting van de stage dan wel’ geschrapt. Anders dan bij schrapping en doorhaling van het tableau en schorsing in de uitoefening van de praktijk van een advocaat, is een stagiaire gedurende de van rechtswege opschorting van de stage bevoegd de titel van advocaat te voeren. Om die reden wordt de advocatenpas en het authenticatiemiddel niet geblokkeerd.

Dit laat onverlet dat een van rechtswege opschorting van de stage kan zijn gelegen in de omstandigheid dat een stagiaire geen patroon meer heeft. In dat geval kan een stagiaire niet langer voldoen aan de verplichting op grond van artikel 9b, eerste lid, van de Advocatenwet om de praktijk uit te oefenen onder begeleiding van een patroon. Indien een stagiaire in die situatie gebruik maakt van de advocatenpas of authenticatiemiddel kan hij hierop tuchtrechtelijk worden aangesproken.

Artikel I, onderdeel S (artikel 6.17a)

Gedurende de schorsing in de uitoefening van de praktijk mag een advocaat zijn titel niet voeren (zie de artikelen 16, 48, zevende lid, 60ac, tweede lid, en 60b, vijfde lid, van de Advocatenwet). De advocatenpas dient op de datum waarop de schorsing ten uitvoer wordt gelegd in bewaring te worden gegeven bij de deken. Na het verstrijken van de duur van de schorsing krijgt een advocaat zijn advocatenpas terug.

Aangezien de Advocatenwet geen grondslag biedt om in de Voda regels te stellen gericht op personen die geen advocaat meer zijn, is op het inleveren van een advocatenpas door personen die als advocaat, al dan niet op eigen verzoek, van het tableau zijn geschrapt het burgerlijk recht van toepassing.

Artikel I, onderdelen T en U (artikelen 6.28 en 6.29)

Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 6.28. Kantoorklachtenregeling

1. De advocaat beschikt over een kantoorklachtenregeling die voldoet aan het bepaalde in het tweede lid. De advocaat draagt er zorg voor dat klachten conform de kantoorklachtenregeling worden behandeld.

Artikel 6.28. Kantoorklachtenregeling

1. De advocaat beschikt over een kantoorklachtenregeling die voldoet aan het bepaalde in het tweede lid. De advocaat draagt er zorg voor dat klachten conform de kantoorklachtenregeling worden behandeld.

2. De in het eerste lid bedoelde kantoorklachtenregeling regelt in ieder geval:

a. op welke wijze de advocaat, de praktijkrechtspersoon of het samenwerkingsverband klachten behandelt over de totstandkoming en de uitvoering van een overeenkomst van opdracht, de kwaliteit van de dienstverlening en de hoogte van de declaratie;

b. dat de kantoorklachtenregeling eveneens van toepassing is op de onder de verantwoordelijkheid van de advocaat werkzame personen;

c. welke advocaat is belast met de afhandeling van de klacht, die daarmee functioneert als klachtenfunctionaris;

d. dat de klachtenfunctionaris binnen een maand na ontvangst van de klacht de klager en degene over wie is geklaagd schriftelijk en met redenen omkleed in kennis stelt van het oordeel over de gegrondheid van de klacht, al dan niet vergezeld van aanbevelingen;

e. dat de klachtenfunctionaris bij afwijking van de termijn, bedoeld in onderdeel d, daarvan met redenen omkleed mededeling doet aan klager en degene over wie is geklaagd, onder vermelding van de termijn waarbinnen wel een oordeel over de gegrondheid van de klacht wordt gegeven;

f. dat de klager en degene over wie is geklaagd in de gelegenheid worden gesteld een toelichting te geven op de klacht;

g. dat de klager geen vergoeding is verschuldigd voor de kosten van de behandeling van de klacht.

2. De in het eerste lid bedoelde kantoorklachtenregeling regelt in ieder geval:

a. op welke wijze de advocaat, de praktijkrechtspersoon of het samenwerkingsverband klachten behandelt over de totstandkoming en de uitvoering van een overeenkomst van opdracht, de kwaliteit van de dienstverlening en de hoogte van de declaratie;

b. dat de kantoorklachtenregeling eveneens van toepassing is op de onder de verantwoordelijkheid van de advocaat werkzame personen;

c. welke advocaat is belast met de afhandeling van de klacht, die daarmee functioneert als klachtenfunctionaris;

d. dat de klachtenfunctionaris binnen een maand na ontvangst van de klacht de klager en degene over wie is geklaagd schriftelijk en met redenen omkleed in kennis stelt van het oordeel over de gegrondheid van de klacht, al dan niet vergezeld van aanbevelingen;

e. dat de klachtenfunctionaris bij afwijking van de termijn, bedoeld in onderdeel d, daarvan met redenen omkleed mededeling doet aan klager en degene over wie is geklaagd, onder vermelding van de termijn waarbinnen wel een oordeel over de gegrondheid van de klacht wordt gegeven;

f. dat de klager en degene over wie is geklaagd in de gelegenheid worden gesteld een toelichting te geven op de klacht;

g. dat de klager geen vergoeding is verschuldigd voor de kosten van de behandeling van de klacht.

3. De advocaat, de praktijkrechtspersoon of het samenwerkingsverband verklaart de kantoorklachtenregeling, bedoeld in het eerste lid, van toepassing op iedere overeenkomst van opdracht die met de cliënt wordt aangegaan.

3. De advocaat, de praktijkrechtspersoon of het samenwerkingsverband verklaart de kantoorklachtenregeling, bedoeld in het eerste lid, van toepassing op iedere overeenkomst van opdracht die met de cliënt wordt aangegaan.

 

4. Het eerste tot en met derde lid is niet van toepassing op een advocaat die de praktijk uitoefent in dienst van een werkgever als bedoeld in artikel 5.9, aanhef en onderdeel e, f of g, en uitsluitend voor deze werkgever optreedt.

Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 6.29. Geschilbeslechting

1. Een advocaat, de praktijkrechtspersoon of het samenwerkingsverband komt een forumkeuze met de cliënt overeen voor geschillen over de totstandkoming en de uitvoering van de overeenkomst van opdracht, de kwaliteit van de dienstverlening en de hoogte van de declaratie.

Artikel 6.29. Geschilbeslechting

1. Een advocaat, de praktijkrechtspersoon of het samenwerkingsverband komt een forumkeuze met de cliënt overeen voor geschillen over de totstandkoming en de uitvoering van de overeenkomst van opdracht, de kwaliteit van de dienstverlening en de hoogte van de declaratie. De eerste volzin is niet van toepassing op een advocaat die de praktijk uitoefent in dienst van een werkgever als bedoeld in artikel 5.9, aanhef en onderdeel e, f of g, en uitsluitend voor deze werkgever optreedt.

2. Indien een advocaat, praktijkrechtspersoon of samenwerkingsverband in de overeenkomst van opdracht opneemt dat geschillen over de totstandkoming en de uitvoering van deze overeenkomst, de kwaliteit van de dienstverlening en de hoogte van de declaratie ter beslechting worden voorgelegd aan een ander dan de bevoegde rechter, dan vindt deze geschilbeslechting in ieder geval plaats door middel van een overeenkomst tot arbitrage als bedoeld in artikel 1020 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering of door middel van een vaststellingsovereenkomst als bedoeld in artikel 900 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.

2. Indien een advocaat, praktijkrechtspersoon of samenwerkingsverband in de overeenkomst van opdracht opneemt dat geschillen over de totstandkoming en de uitvoering van deze overeenkomst, de kwaliteit van de dienstverlening en de hoogte van de declaratie ter beslechting worden voorgelegd aan een ander dan de bevoegde rechter, dan vindt deze geschilbeslechting in ieder geval plaats door middel van een overeenkomst tot arbitrage als bedoeld in artikel 1020 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering of door middel van een vaststellingsovereenkomst als bedoeld in artikel 900 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.

In de zogenoemde dynamische toelichting bij voornoemde artikelen staat vermeld dat de in de artikelen 6.28, eerste tot en met derde lid, en 6.29, eerste lid, gestelde verplichtingen niet gelden, indien uitsluitend voor een werkgever als bedoeld in artikel 5.9, aanhef en onderdeel e, f of g, wordt gewerkt. Abusievelijk is dit niet in deze artikelen zelf geregeld. Met de voorgestelde wijzigingen wordt deze omissie hersteld.

Ter verduidelijking wordt erop gewezen dat de verplichtingen, bedoeld in de artikelen 6.28, eerste tot en met derde lid, en 6.29, eerste lid, wel gelden als een advocaat de praktijk uitoefent in dienst van een verzekeraar en optreedt voor bij die werkgever verzekerden, dan wel in dienst is van een organisatie met een ideële doelstelling en optreedt voor de leden van die werkgever.

Artikel I, onderdeel X (artikel 6.32a)

Op grond van artikel 8, eerste lid, van de Advocatenwet verwerkt de secretaris van de algemene raad persoonsgegevens van advocaten op het tableau. De in artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdelen a tot en met g, van deze wet bedoelde (persoons)gegevens dienen door advocaten te worden aangeleverd. In de praktijk komt het voor dat wijzigingen niet of niet tijdig worden doorgegeven. Dit is ‘schadelijk’ voor degenen die inzage hebben op de op het tableau verwerkte gegevens. Het is dan ook noodzakelijk dat een advocaat jaarlijks de op hem betrekking hebbende gegevens die hij dient te verstrekken (de gegevens, bedoeld in artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdelen a tot en met g, van de Advocatenwet) controleert op juistheid, actualiteit en volledigheid. Indien een advocaat constateert dat hiervan geen sprake (meer) is, dient hij de secretaris van de algemene raad hiervan onverwijld in kennis te stellen, onder opgave van de juiste, actuele en volledige gegevens. Artikel 6.32a strekt hiertoe. De deken ziet toe op de handhaving van dit voorschrift.

Artikel I, onderdelen Y en Z (artikelen 8.3 en 9.1)

Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 8.3 Administratief beroep

1. Onverminderd het bepaalde in artikel 9b, vijfde lid, van de Advocatenwet kan een belanghebbende administratief beroep instellen bij de algemene raad tegen de volgende beschikkingen van de raad van de orde of de daaraan verbonden voorwaarden:

a. de verlenging van de stage, bedoeld in artikel 9b, tweede lid, van de Advocatenwet, eerste respectievelijk tweede volzin;

b. de verlening van een vrijstelling ingevolge artikel 9b, derde lid, van de Advocatenwet;

c. de aanwijzing van een patroon, bedoeld in artikel 9b, vierde lid, van de Advocatenwet;

d. de weigering tot afgifte van een verklaring, bedoeld in artikel 3.2, tweede lid;

e. de goedkeuring door de raad van de orde van de opzegging van de stage door de patroon, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onderdeel c;

f. de goedkeuring van een patroon, bedoeld in artikel 3.5, eerste en tweede lid;

g. de weigering van de goedkeuring van een patronaat, bedoeld in artikel 3.6, eerste en derde lid.

Artikel 8.3 Administratief beroep

1. Onverminderd het bepaalde in artikel 9b, zesde lid, van de Advocatenwet kan een belanghebbende administratief beroep instellen bij de algemene raad tegen de volgende beschikkingen van de raad van de orde of de daaraan verbonden voorwaarden:

a. de verlenging van de stage, bedoeld in artikel 9b, tweede lid, van de Advocatenwet, eerste respectievelijk tweede volzin;

b. de verlening van een vrijstelling ingevolge artikel 9b, derde lid, van de Advocatenwet;

c. de aanwijzing van een patroon, bedoeld in artikel 9b, vierde lid, van de Advocatenwet;

d. de weigering tot afgifte van een verklaring, bedoeld in artikel 3.2, tweede lid;

e. de goedkeuring door de raad van de orde van de opzegging van de stage door de patroon, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onderdeel c;

f. de goedkeuring van een patroon, bedoeld in artikel 3.5, eerste en tweede lid;

g. de weigering van de goedkeuring van een patronaat, bedoeld in artikel 3.6, eerste en derde lid.

2. Een belanghebbende kan administratief beroep instellen bij de algemene raad tegen een beschikking van de raad van de orde op grond van artikel 4.6, tweede en derde lid en artikel 4.7, vierde lid.

2. Een belanghebbende kan administratief beroep instellen bij de algemene raad tegen een beschikking van de raad van de orde op grond van artikel 4.6, tweede en derde lid, en artikel 4.7, vierde lid.

Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 9.1 Overgangsrecht Stageverordening

1. Voor stagiaires die beschikken over een op grond van de Stageverordening 2005 afgegeven bewijs dat het in artikel 9c van de Advocatenwet bedoelde examen met gunstig gevolg is afgelegd en voor stagiaires die beëdigd zijn voor 1 maart 2013, ingeschreven zijn voor de beroepsopleiding en vanaf inwerkingtreding van dit artikel zonder onderbreking op het tableau staan ingeschreven, blijven de Stageverordening 2005 en de daarop berustende bepalingen van toepassing totdat de stagiaire aan de daaruit voortvloeiende verplichtingen heeft voldaan.

Artikel 9.1 Overgangsrecht Stageverordening

1. Voor stagiaires die beschikken over een op grond van de Stageverordening 2005 afgegeven bewijs dat het in artikel 9c van de Advocatenwet bedoelde examen met gunstig gevolg is afgelegd en voor stagiaires die beëdigd zijn voor 1 maart 2013, ingeschreven zijn voor de beroepsopleiding en vanaf inwerkingtreding van dit artikel zonder onderbreking op het tableau staan ingeschreven, blijven de Stageverordening 2005 en de daarop berustende bepalingen van toepassing totdat de stagiaire aan de daaruit voortvloeiende verplichtingen heeft voldaan.

2. Indien de in het eerste lid bedoelde stagiaire op 1 september 2014 niet in het bezit is van het in het eerste lid genoemde bewijs kan de algemene raad, in afwijking van het eerste lid, aan de stagiaire alternatieve maatregelen opleggen ter afronding van de beroepsopleiding.

2. Indien de in het eerste lid bedoelde stagiaire op 1 september 2014 niet in het bezit is van het in het eerste lid genoemde bewijs kan de algemene raad, in afwijking van het eerste lid, aan de stagiaire alternatieve maatregelen opleggen ter afronding van de beroepsopleiding.

3. Indien de in het eerste lid bedoelde stagiaire er niet in slaagt de stage voor 1 maart 2016 af te ronden, kan de raad van de orde, respectievelijk de algemene raad hem in de gelegenheid stellen de opleidingsmaatregelen, bedoeld in artikel 11 van de Stageverordening 2005, anderszins te voltooien.

3. Indien de in het eerste lid bedoelde stagiaire er niet in slaagt de stage voor 1 maart 2016 af te ronden, kan de raad van de orde, respectievelijk de algemene raad hem in de gelegenheid stellen de opleidingsmaatregelen, bedoeld in artikel 11 van de Stageverordening 2005, anderszins te voltooien.

4. Een andere dan de in het eerste lid bedoelde stagiaire kan de algemene raad verzoeken om toegelaten te worden tot de beroepsopleiding, op grond van de Stageverordening 2005, indien hij

a. niet voldoet aan het vereiste van zonder onderbreking ingeschreven staan, bedoeld in het eerste lid,

b. reeds beëdigd is geweest,

c. op grond van de Stageverordening 2005 met de beroepsopleiding was begonnen; en

d. geen certificaat als bedoeld in artikel 8c, tweede lid, van de Advocatenwet heeft behaald.

4. Een andere dan de in het eerste lid bedoelde stagiaire kan de algemene raad verzoeken om toegelaten te worden tot de beroepsopleiding, op grond van de Stageverordening 2005, indien hij

a. niet voldoet aan het vereiste van zonder onderbreking ingeschreven staan, bedoeld in het eerste lid,

b. reeds beëdigd is geweest,

c. op grond van de Stageverordening 2005 met de beroepsopleiding was begonnen; en

d. geen certificaat als bedoeld in artikel 8c, eerste lid, onderdeel c, onder 2°, van de Advocatenwet heeft behaald.

5. De algemene raad kan, op verzoek van de stagiaire, bedoeld in het vierde lid, besluiten dat op hem de bepalingen van de Stageverordening 2005 van toepassing zijn, indien de stagiaire beëdigd is voorafgaand aan het te volgen onderwijs of het af te leggen examen dat ingevolge de Stageverordening 2005 nog wordt gegeven of wordt afgenomen.

5. De algemene raad kan, op verzoek van de stagiaire, bedoeld in het vierde lid, besluiten dat op hem de bepalingen van de Stageverordening 2005 van toepassing zijn, indien de stagiaire beëdigd is voorafgaand aan het te volgen onderwijs of het af te leggen examen dat ingevolge de Stageverordening 2005 nog wordt gegeven of wordt afgenomen.

Als gevolg van de wijziging Advocatenwet kwaliteitstoetsen wordt in artikel 9b van de Advocatenwet, onder vernummering van het vijfde lid tot zesde lid, een nieuwe vijfde lid ingevoegd. De verwijzing naar dat artikel in de artikelen 8.3, eerste lid, aanhef, en 9.1, vierde lid, van de Voda is hierop aangepast.

Artikel I, onderdeel AA (afdeling 9.2)

Artikel 9.3 is inmiddels uitgewerkt en kan om die reden vervallen. Aangezien dit het enige artikel in afdeling 9.2 is, kan deze afdeling ook vervallen, onder vernummering van afdeling 9.3 tot afdeling 9.2 en artikel 9.4 tot artikel 9.3.

Artikel II

De Verzamelverordening 2019 treedt in werking op 1 januari 2020, met uitzondering van artikel I, onderdelen A, F, G, H, J, V, Y en Z. De daarin voorgestelde wijzigingen van de Voda vloeien voort uit de wijziging Advocatenwet kwaliteitstoetsen en treden in werking op een door de algemene raad te bepalen tijdstip.

Dynamische toelichting van de Voda

Op het moment van inwerkingtreding van de Verzamelverordening 2019 zal de dynamische toelichting bij de Voda worden gewijzigd. Deze toelichting vormt geen onderdeel van de Verzamelverordening 2019 en wordt ter informatie aan het college van afgevaardigden aangeboden (zie bijlage 2).

 


1

Zie artikel I, onderdeel A, van de Wijzigingsverordening kwaliteitsbevorderende maatregelen.